Opgave 1
1) Kostenbesparende investeringen worden ook wel genoemd:
A. Vervangingsinvesteringen
B. Uitbreidingsinvesteringen
C. Investeringen in onderzoek en ontwikkeling
D. Diepte-investeringen
2) Welke investeringsselectie methoden houden rekening met de tijdsvoorkeur?
A. De interne rentabiliteit.
B. De interne rentabiliteit en het gemiddeld (boekhoudkundig) rendement.
C. De interne rentabiliteit en de netto contante waarde.
D. De netto contante waarde en het gemiddeld (boekhoudkundig) rendement.
3) Welke bewering met betrekking tot de correlatiecoëfficiënt van de rendementen van
twee investeringsobjecten is waar?
A. Een correlatiecoëfficiënt met een waarde van 0,9 betekent dat er vrijwel
geen mogelijkheden tot risicoreductie zijn.
B. Een correlatiecoëfficiënt ligt altijd tussen 0 en 1.
C. Een correlatiecoëfficiënt met een waarde van 0 geeft aan dat er veel correlatie is
tussen rendementen van de twee objecten.
D. Een correlatiecoëfficiënt bereken je door de covariantie van de objecten te delen
door het aantal scenario’s.
Deze casus heeft betrekking op onderdeel 4)
Een onderneming kan kiezen uit drie verschillende investeringsobjecten. Over de te
verwachte rendementen is het volgende bekend.
Project Verwachte Standaard
Waarde Deviatie
Object 1 13,4% 5,21%
Object 2 15,8% 4,25%
Object 3 18,5% 6,72%
4) Welke van de volgende beweringen is waar?
A. Object 2 heeft altijd de voorkeur boven de andere objecten.
B. Object 2 heeft altijd de voorkeur boven object 1.
C. Object 3 heeft altijd de voorkeur boven de andere objecten.
D. Object 3 heeft altijd de voorkeur boven project 1.
Einde Casus
1) Kostenbesparende investeringen worden ook wel genoemd:
A. Vervangingsinvesteringen
B. Uitbreidingsinvesteringen
C. Investeringen in onderzoek en ontwikkeling
D. Diepte-investeringen
2) Welke investeringsselectie methoden houden rekening met de tijdsvoorkeur?
A. De interne rentabiliteit.
B. De interne rentabiliteit en het gemiddeld (boekhoudkundig) rendement.
C. De interne rentabiliteit en de netto contante waarde.
D. De netto contante waarde en het gemiddeld (boekhoudkundig) rendement.
3) Welke bewering met betrekking tot de correlatiecoëfficiënt van de rendementen van
twee investeringsobjecten is waar?
A. Een correlatiecoëfficiënt met een waarde van 0,9 betekent dat er vrijwel
geen mogelijkheden tot risicoreductie zijn.
B. Een correlatiecoëfficiënt ligt altijd tussen 0 en 1.
C. Een correlatiecoëfficiënt met een waarde van 0 geeft aan dat er veel correlatie is
tussen rendementen van de twee objecten.
D. Een correlatiecoëfficiënt bereken je door de covariantie van de objecten te delen
door het aantal scenario’s.
Deze casus heeft betrekking op onderdeel 4)
Een onderneming kan kiezen uit drie verschillende investeringsobjecten. Over de te
verwachte rendementen is het volgende bekend.
Project Verwachte Standaard
Waarde Deviatie
Object 1 13,4% 5,21%
Object 2 15,8% 4,25%
Object 3 18,5% 6,72%
4) Welke van de volgende beweringen is waar?
A. Object 2 heeft altijd de voorkeur boven de andere objecten.
B. Object 2 heeft altijd de voorkeur boven object 1.
C. Object 3 heeft altijd de voorkeur boven de andere objecten.
D. Object 3 heeft altijd de voorkeur boven project 1.
Einde Casus