Transculturele systeemtherapeut heeft geleerd:
- De werkelijkheid te bekijken met de blik van zijn cliënten.
- Rekening te houden met het grotere familiesysteem van de cliënt
- Met meerdere en verschillende waarheden om te gaan
- Valkuilen te herkennen en te vermijden
De houding van de transculturele systeemtherapeut wordt bepaald door zijn transculturele
vaardigheden en zijn interculturele competentie. Vaardigheden zijn:
- Kennis van de syteem- en communicatietheorie, aangevuld met
- Ideeën uit de culturele antropologie en
- De kaders en methodische handvatten die daaruit voortkomen.
De verlangde competenties zijn:
- Systemisch kunnen denken en persoonlijk daarna kunnen handelen.
Systemische benadering:
-Systeem van de cliënt betrekken bij de behandeling.
- Psychische klachten van de cliënt worden eerder bezien binnen een samenloop van
omstandigheden en een complex geheel van sociale interacties dan dat een logische medische
oorzaak wordt gezocht.
Interculturele competentie:
-Het toepassen van transculturele vaardigheden. Dit geheel van kwaliteiten, inzichten en
vaardigheden van een therapeut is zijn interculturele competentie. Het is een voortdurend
uitbreidend en veranderend conglomeraat van kennis, ervaring, vaardigheden en houdingen
die de therapeut zich eigen moet maken. Interculturele competentie wordt pas verkregen
wanneer de therapeut zich bewust is van de rol die zijn eigen achtergrond en zijn normen en
waarden spelen in zijn denken en doen. Kennis ontwikkelen over en inzicht krijgen in de
eigen etniciteit is even belangrijk als kennis over de cultuur en denkwereld van de cliënt.
Betekenis interculturele competentie:
- Leren houden van de mogelijkheden van verschillen
- Gevoeliger zijn voor het proces dan voor het doel
- Meer oog hebben voor details dan voor de grote lijn
- Alerter zijn op verschillen dan op overeenkomsten
- Aandacht hebben voor machtsverschillen
- Geen angst hebben voor niet-weten
- Een open-minded en niet-sturende houding
- Het migrant-zijn gebruiken als vergrootglas
, Oog voor valkuilen:
1. Niet discrimineren, in de betekenis van ‘geen onderscheid maken’ en geen waardeoordeel
vellen is positief, maar het ontkennen van verschillen die er zijn tussen bevolkingsgroepen is
dat niet. Gebruik verschillen positief.
2. De visie dat beperkingen in het functioneren van de cliënt uitsluitend het resultaat zijn van
omgevingsfactoren zoals dat zwarte mensen problemen door de dominante westerse cultuur.
Deze visie blokkeert het zoeken naar oplossingen en kan het verband houden met onbewuste
schuldgevoelens van de witte therapeut die vertaald worden in de wens om de zwarte cliënt
bepaalde privileges te geven. Op deze wijze wordt diens afhankelijkheid echter alleen maar
versterkt. De twee varianten hierin zijn:
- Het probleem gaat met de therapeut op de loop (gebeurd als het systeem van de cliënt zo
gecompliceerd is of zo fascinerend wordt gevonden dat de therapeut alleen maar aandacht
heeft voor de cultuur en te weinig voor een oplossing. Gebeurd vaak bij vluchtelingen.
- De therapeut wordt ingezogen in het systeem (van de cliënt) als de omgang met een
probleem of met elkaar in het systeem van met name migrantcliënten erg afwijkend is van wat
in het migratieland gebruikelijk is.
Bij het opbouwen van een vertrouwensrelatie: Vind een goede balans tussen afstand en
betrokkenheid.
3. ‘De witte therapeut maakt zijn cliënt wijs dat hij niet alleen omnipotent (alleskunnend) is,
maar ook dat hij het beste met zijn cliënt voor heeft.’ Een therapeut met deze instelling
verlangt van de cliënt dat die in aanwezigheid van hem, de goedwillende, deskundige
therapeut, afziet van zijn ‘realitytesting’ (onderzoek naar een adequaat werkelijkheidsbesef.
Dit besef stelt iemand in staat zijn eigen gedachten te toetsen aan de buitenwereld. Bijv. als je
het idee hebt dat iemand niet met je wil praten je dit gaat toetsen door met diegene een
gesprek te voeren). Doordat therapeuten een alleskunnende houding aannemen kunnen
clienten een passieve en autoriteitsgevoelige houding krijgen.