A
Associatie Waarde van ene variabele hangt samen
met waarde andere variabele. Positieve
associatie: X omhoog, Y omhoog.
Negatieve associatie: X omhoog, Y omlaag.
Let bij associatie op outliers, extrapolatie,
causaliteit en het Simpsons’ Paradox.
Adjusted residuals Hoeveel standaardfouten de observed
count (-) van de expected count afwijkt. Zo
vind je welke cellen verantwoordelijk zijn
voor de associatie. Moet groter zijn dan 3
of -3 om associatie te laten zien.
B
Beta Slope delen door de standaarddeviatie van
x en y. De beta is de gestandaardiseerde
slope. Zo heb je geen last meer van
verschillende meeteenheden.
Betrouwbaarheidsinterval Van een parameter is een interval van
waarden, waarvan we met een bepaald
vertrouwen aannemen, dat de “ware”
waarde van de populatieparameter daarin
ligt.
Betrouwbaarheidsniveau Kans dat de populatieparameter
daadwerkelijk in het interval ligt.
Binominale verdeling Verdeling met twee of meer pieken.
C
Categorische variabelen Hebben als waarden geen getallen, maar
alleen kenmerken of categorieën. Onder te
verdelen in ordinaal en nominaal.
Causaliteit A leidt tot B, voorwaardes: (1) A en B
hebben een associatie, (2) A gaat vooraf in
tijd aan B, (3) alternatieve verklaringen zijn
uitgesloten.
Centrale Limiet Stelling Hoe groter de n, hoe klokvormiger de
steekproevenverdeling. Bij gemiddelde
vanaf 30 respondenten, bij proportie moet
zowel np als n(1-P) groter dan 15 zijn.
Chi-square toets Vergelijken van twee of meer categorische
variabelen, dus variabele die uit
verschillende categorieën bestaat. Hierbij
betekent de nulhypothese dat x en y
onafhankelijk zijn en de alternatieve
hypothese dat x en y afhankelijk van elkaar