FAD-samenvatting
Hoofdstuk 1
Diagnosticeren en behandelen van kinderen met problemen in verstaanbaarheid heeft een
belangrijke plaats in logopedische praktijk.
1939 – beschreef van Riper zijn methode om articulatieproblemen bij kinderen op te lossen.
Mogelijkheden van kind
Mate van stimuleerbaarheid en vaardigheid om naar zichzelf te luisteren.
Moeite die het kind doet en de aandacht die het kind kan opbrengen.
Motivatie van het kind voor verandering.
Eventuele eerdere behandelingen.
Vermogen tot imitatie.
Interactie met therapeut en ouders.
Kennis
Mate waarin akoestische, articulatorische en fonetische kennis en interne
fonologische kennis aanwezig is
Mogelijke risicofactoren
- Cognitieve en linguïstische mogelijkheden
- Beperkingen in spraakmechanisme
- Gehoor of neurofysiologische mogelijkheden
Oudervariabelen
Vertrouwen in therapeut en in behandeling.
Bereidheid van het kind en logopedische therapie.
Interactie met hun kind en therapeut.
Therapeutvariabelen
Kennis, vaardigheden theoretische onderbouwing van therapie.
Beurtgedrag toepassen waarbij kind en logopedist om de beurt actief zijn.
Vertrouwen in behandeling waarbij logopedist ook op de eigen ontwikkeling van nhet
kind en vaardigheden van de ouders durft te vertrouwen
Interactie met ouders.
Hoofdstuk 2
Studie spraakklanken = fonetiek
- Articulatorische fonetiek = hoe spraakklanken geproduceerd worden door
spraakorganen.
- Akoestische fonetiek = wat fysische kenmerken zijn.
- Auditieve fonetiek = hoe spraakklanken via het oor door de hersenen verwerkt en
waargenomen worden.
,Anatomie
Gehemelte zacht = velum
Hard gehemelte = palatum
Huig = uvulair
Stemplooien = glottaal
Lippen = labiaal
Tong = linguaal
Tongpunt = apicaal
Tongrug = dorsaal
Tand= dentaal
Neusholte = nasaal
Klanken worden aan de hand van deze kenmerken beschreven:
- Wel of niet stemhebbend
- Plaats van klank
- Wijze articulatie
Wel of niet stemhebbend
- Stemplooien in gesloten stand = uitstromende lucht in trilling = stemhebbende klank.
- Stemplooien open = niet in trilling = stemloze klank.
Plaats van articulatie
- Bilabiaal = beide lippen
- Labiodentaal = boventanden op onderlip
- Dentaal = tongpunt tegen tanden
- Alveolair = tong tegen alveolairrand
- Palataal = tongrug tegen harde gehemelte
- Velair of uvulair = dorsaal met velum of huig voor afsluiting zorgen
- Glottaal = stemplooien voor afsluiting
Wijze articulatie
- Stopklanken = tot stand door volledige afsluiting luchtstroom waarna afsluiting wordt
opgeheven.
- Fricatieven/wrijfklanken = gevormd door gedeeltelijke blokkade luchtstroom
- Affricaten = stop en fricatief
- Nasalen = mondholte ergens afgesloten – dus door neus
- Liquedae = liquida /l/ = tongpunt tegen tandkas = luchtstroom links en rechts langs.
Liquida /r/ = tongpunt of huig. Liquidae = obstructie van luchtstroom dus gericht,
lucht kan blijven vloeien
- Glides = halfvocalen /w/, /j/, lijken op /oe/ en //ie/.
, Hoofdstuk 3
Taal- en spraakproductiemodel van Levelt wordt veel gebruikt om processen die betrokken
zijn bij spraak en taal theoretisch te beschrijven.
- Kind boodschap gevormd = conceptualiseren. Met kennis die hij van de wereld heeft
= perverbale boodschap.
- Perverbale boodschap naar formulator
- Formulator wordt in perverbale boodschap eerst grammaticaal gecodeerd
- Daarvoor is informatie uit het lexicon nodig
- Na grammaticale codering is fonologische codering
- Woorden worden fonologisch ingevuld
- Motorische planning = articulatorische doelen bepalen
- Basis voor motorische programmering van articulatie
- Planning vind plaats
- Er is nog niet gesproken
- Signaal wordt opgevangen en er treedt auditieve waarneming op
- Klankreeks wordt geanalyseerd
- Metrische en fonologische analyse
- Feedback = rol. Komt het woord dat is uitgesproken overeen met het woord dat in
het lexicon ligt opgeslagen.
- Ontlede spraak wordt meegenomen bij volgende poging om boodschap te vormen =
conceptualiseren
Hoofdstuk 1
Diagnosticeren en behandelen van kinderen met problemen in verstaanbaarheid heeft een
belangrijke plaats in logopedische praktijk.
1939 – beschreef van Riper zijn methode om articulatieproblemen bij kinderen op te lossen.
Mogelijkheden van kind
Mate van stimuleerbaarheid en vaardigheid om naar zichzelf te luisteren.
Moeite die het kind doet en de aandacht die het kind kan opbrengen.
Motivatie van het kind voor verandering.
Eventuele eerdere behandelingen.
Vermogen tot imitatie.
Interactie met therapeut en ouders.
Kennis
Mate waarin akoestische, articulatorische en fonetische kennis en interne
fonologische kennis aanwezig is
Mogelijke risicofactoren
- Cognitieve en linguïstische mogelijkheden
- Beperkingen in spraakmechanisme
- Gehoor of neurofysiologische mogelijkheden
Oudervariabelen
Vertrouwen in therapeut en in behandeling.
Bereidheid van het kind en logopedische therapie.
Interactie met hun kind en therapeut.
Therapeutvariabelen
Kennis, vaardigheden theoretische onderbouwing van therapie.
Beurtgedrag toepassen waarbij kind en logopedist om de beurt actief zijn.
Vertrouwen in behandeling waarbij logopedist ook op de eigen ontwikkeling van nhet
kind en vaardigheden van de ouders durft te vertrouwen
Interactie met ouders.
Hoofdstuk 2
Studie spraakklanken = fonetiek
- Articulatorische fonetiek = hoe spraakklanken geproduceerd worden door
spraakorganen.
- Akoestische fonetiek = wat fysische kenmerken zijn.
- Auditieve fonetiek = hoe spraakklanken via het oor door de hersenen verwerkt en
waargenomen worden.
,Anatomie
Gehemelte zacht = velum
Hard gehemelte = palatum
Huig = uvulair
Stemplooien = glottaal
Lippen = labiaal
Tong = linguaal
Tongpunt = apicaal
Tongrug = dorsaal
Tand= dentaal
Neusholte = nasaal
Klanken worden aan de hand van deze kenmerken beschreven:
- Wel of niet stemhebbend
- Plaats van klank
- Wijze articulatie
Wel of niet stemhebbend
- Stemplooien in gesloten stand = uitstromende lucht in trilling = stemhebbende klank.
- Stemplooien open = niet in trilling = stemloze klank.
Plaats van articulatie
- Bilabiaal = beide lippen
- Labiodentaal = boventanden op onderlip
- Dentaal = tongpunt tegen tanden
- Alveolair = tong tegen alveolairrand
- Palataal = tongrug tegen harde gehemelte
- Velair of uvulair = dorsaal met velum of huig voor afsluiting zorgen
- Glottaal = stemplooien voor afsluiting
Wijze articulatie
- Stopklanken = tot stand door volledige afsluiting luchtstroom waarna afsluiting wordt
opgeheven.
- Fricatieven/wrijfklanken = gevormd door gedeeltelijke blokkade luchtstroom
- Affricaten = stop en fricatief
- Nasalen = mondholte ergens afgesloten – dus door neus
- Liquedae = liquida /l/ = tongpunt tegen tandkas = luchtstroom links en rechts langs.
Liquida /r/ = tongpunt of huig. Liquidae = obstructie van luchtstroom dus gericht,
lucht kan blijven vloeien
- Glides = halfvocalen /w/, /j/, lijken op /oe/ en //ie/.
, Hoofdstuk 3
Taal- en spraakproductiemodel van Levelt wordt veel gebruikt om processen die betrokken
zijn bij spraak en taal theoretisch te beschrijven.
- Kind boodschap gevormd = conceptualiseren. Met kennis die hij van de wereld heeft
= perverbale boodschap.
- Perverbale boodschap naar formulator
- Formulator wordt in perverbale boodschap eerst grammaticaal gecodeerd
- Daarvoor is informatie uit het lexicon nodig
- Na grammaticale codering is fonologische codering
- Woorden worden fonologisch ingevuld
- Motorische planning = articulatorische doelen bepalen
- Basis voor motorische programmering van articulatie
- Planning vind plaats
- Er is nog niet gesproken
- Signaal wordt opgevangen en er treedt auditieve waarneming op
- Klankreeks wordt geanalyseerd
- Metrische en fonologische analyse
- Feedback = rol. Komt het woord dat is uitgesproken overeen met het woord dat in
het lexicon ligt opgeslagen.
- Ontlede spraak wordt meegenomen bij volgende poging om boodschap te vormen =
conceptualiseren