Biologie Nectar Havo 5
Samenvatting H11 – Transport
H11.5 (weefselvloeistof en lymfe)
Vorming weefselvloeistof
Rond je lichaamscellen > waterig vocht: weefselvloeistof
Cellen kunnen er zuurstof, koolstofdioxide, voedingstoffen en afvalstoffen mee uitwisselen.
Weefselvloeistof vormt verbinding tussen bloedplasma en cellen en voorkomt uitdroging van
cellen.
Weefselvloeistof ontstaat doordat de bloeddruk in haarvaten een water uit bloedplasma
door openingen in haarvatwand naar buiten perst.
(Vooral aan begin van haarvat, waar bloeddruk hoog is, vind deze filtratie plaats).
Opgeloste stoffen zoals voedingstoffen, hormonen en antistoffen gaan met het bloedplasma
mee het haarvat uit.
Rode bloedcellen, bloedplaatjes en grote bloedeiwitten zoals stollingseiwitten > te groot
voor openingen in haarvatwand en blijven in het bloedplasma achter.
Witte bloedcellen kunnen door hun soepele celmembraan wel de haarvaten passeren naar
weefselvloeistof toe.
Afvoer weefselvloeistof
Cellen halen voedingstoffen uit weefselvloeistof en geven hun afvalstoffen eraan af.
> Daarom zaak om weefselvloeistof continu te verversen. Dit gebeurt doordat deel van
weefselvloeistof terugstroomt de haarvaten in.
Deze resorptie komt tot stand doordat er in bloedplasma wel grote bloedeiwitten
(colloïden) zitten, maar niet in de weefselvloeistof.
Door grote bloedeiwitten heeft bloedplasma > hogere colloïd osmotische waarde dan
omringende weefselvloeistof.
Dat veroorzaakt een osmotische druk > weefselvloeistof stroomt terug haarvaten in.
Begin van haarvatennet vooral effect van bloeddruk merkbaar.
Door hoge bloeddruk > meer filtratie van water met opgeloste stoffen naar weefselvloeistof.
Naar het eind van haarvat, daalt de bloeddruk
Tot halverwege haarvat > filtratie (water met opgeloste stoffen verlaten bloedvat)
Na halverwege haarvat > resorptie (water met opgeloste stoffen worden opgenomen)
Aan het eind van haarvat > effect van verschil in osmotische waarde het grootst.
Bij verwonding > neemt doorlaatbaarheid van bloedvatwanden toe, waardoor ook de grote
bloedeiwitten in weefselvloeistof terechtkomen.
Osmotische drukverschil tussen weefselvloeistof en bloedplasma daalt en weefselvloeistof
hoopt zich op: ontstaat zwelling
Samenvatting H11 – Transport
H11.5 (weefselvloeistof en lymfe)
Vorming weefselvloeistof
Rond je lichaamscellen > waterig vocht: weefselvloeistof
Cellen kunnen er zuurstof, koolstofdioxide, voedingstoffen en afvalstoffen mee uitwisselen.
Weefselvloeistof vormt verbinding tussen bloedplasma en cellen en voorkomt uitdroging van
cellen.
Weefselvloeistof ontstaat doordat de bloeddruk in haarvaten een water uit bloedplasma
door openingen in haarvatwand naar buiten perst.
(Vooral aan begin van haarvat, waar bloeddruk hoog is, vind deze filtratie plaats).
Opgeloste stoffen zoals voedingstoffen, hormonen en antistoffen gaan met het bloedplasma
mee het haarvat uit.
Rode bloedcellen, bloedplaatjes en grote bloedeiwitten zoals stollingseiwitten > te groot
voor openingen in haarvatwand en blijven in het bloedplasma achter.
Witte bloedcellen kunnen door hun soepele celmembraan wel de haarvaten passeren naar
weefselvloeistof toe.
Afvoer weefselvloeistof
Cellen halen voedingstoffen uit weefselvloeistof en geven hun afvalstoffen eraan af.
> Daarom zaak om weefselvloeistof continu te verversen. Dit gebeurt doordat deel van
weefselvloeistof terugstroomt de haarvaten in.
Deze resorptie komt tot stand doordat er in bloedplasma wel grote bloedeiwitten
(colloïden) zitten, maar niet in de weefselvloeistof.
Door grote bloedeiwitten heeft bloedplasma > hogere colloïd osmotische waarde dan
omringende weefselvloeistof.
Dat veroorzaakt een osmotische druk > weefselvloeistof stroomt terug haarvaten in.
Begin van haarvatennet vooral effect van bloeddruk merkbaar.
Door hoge bloeddruk > meer filtratie van water met opgeloste stoffen naar weefselvloeistof.
Naar het eind van haarvat, daalt de bloeddruk
Tot halverwege haarvat > filtratie (water met opgeloste stoffen verlaten bloedvat)
Na halverwege haarvat > resorptie (water met opgeloste stoffen worden opgenomen)
Aan het eind van haarvat > effect van verschil in osmotische waarde het grootst.
Bij verwonding > neemt doorlaatbaarheid van bloedvatwanden toe, waardoor ook de grote
bloedeiwitten in weefselvloeistof terechtkomen.
Osmotische drukverschil tussen weefselvloeistof en bloedplasma daalt en weefselvloeistof
hoopt zich op: ontstaat zwelling