Maatschappijwetenschappen samenvatting hoofdstuk 1.
Referentiekader: het geheel van kennis, ervaringen, ideeën en overtuigingen van waaruit
iemand denkt en handelt.
Identiteit: wie je bent, je manier van denken. Identiteit gaat over beelden, ideeën.
3 aspecten van identiteit:
1. Persoonlijke identiteit: het beeld dat iemand van zichzelf heeft, het zelfbeeld.
2. Sociale identiteit: het deel van iemands identiteit dat past bij de groepen waar iemand
deel van uitmaakt.
3. Collectieve identiteit: het beeld dat de samenleving heeft van een groep, met de
kenmerken die de samenleving voor die groep heeft. Bijvoorbeeld: hoe normale
Nederlanders denken over Volendammers dat iedereen rookt en aan de drugs zit.
Wetmatigheid: je verwacht niet dat er uitzonderingen zijn.
Kans: de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis kan optreden. Bijvoorbeeld: een grote kans
dat veel jongeren die veel spijbelen later crimineel gedrag vertonen.
Variabele: een kenmerk van een actor of samenleving en kan variëren. Bijvoorbeeld: bij
mensen kan een kenmerk het gewicht, lengte en IQ zijn.
Socialisatie bestaat uit twee delen:
1. Socialisatoren: mensen die een cultuur overdragen.
2. Internaliseren: de waarden en normen die ergens bij horen die mensen overnemen,
ze maken zich een cultuur eigen. Ze verwerven zich in de cultuur.
Bijzondere vormen van socialisatie:
❖ Politieke socialisatie → de specifieke regels en tradities die bij een land horen.
❖ Enculturatie → de cultuur die je word aangeleerd waarin je geboren bent.
❖ Acculturatie → het aanleren van een nieuwe cultuur (migranten).
Conceptueel model: een schema met pijltjes en hokjes. Bijvoorbeeld:
Hypothese: een (zelfverzonnen) stelling die niet waar hoeft te zijn en die je zelf onderzoekt.
Referentiekader: het geheel van kennis, ervaringen, ideeën en overtuigingen van waaruit
iemand denkt en handelt.
Identiteit: wie je bent, je manier van denken. Identiteit gaat over beelden, ideeën.
3 aspecten van identiteit:
1. Persoonlijke identiteit: het beeld dat iemand van zichzelf heeft, het zelfbeeld.
2. Sociale identiteit: het deel van iemands identiteit dat past bij de groepen waar iemand
deel van uitmaakt.
3. Collectieve identiteit: het beeld dat de samenleving heeft van een groep, met de
kenmerken die de samenleving voor die groep heeft. Bijvoorbeeld: hoe normale
Nederlanders denken over Volendammers dat iedereen rookt en aan de drugs zit.
Wetmatigheid: je verwacht niet dat er uitzonderingen zijn.
Kans: de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis kan optreden. Bijvoorbeeld: een grote kans
dat veel jongeren die veel spijbelen later crimineel gedrag vertonen.
Variabele: een kenmerk van een actor of samenleving en kan variëren. Bijvoorbeeld: bij
mensen kan een kenmerk het gewicht, lengte en IQ zijn.
Socialisatie bestaat uit twee delen:
1. Socialisatoren: mensen die een cultuur overdragen.
2. Internaliseren: de waarden en normen die ergens bij horen die mensen overnemen,
ze maken zich een cultuur eigen. Ze verwerven zich in de cultuur.
Bijzondere vormen van socialisatie:
❖ Politieke socialisatie → de specifieke regels en tradities die bij een land horen.
❖ Enculturatie → de cultuur die je word aangeleerd waarin je geboren bent.
❖ Acculturatie → het aanleren van een nieuwe cultuur (migranten).
Conceptueel model: een schema met pijltjes en hokjes. Bijvoorbeeld:
Hypothese: een (zelfverzonnen) stelling die niet waar hoeft te zijn en die je zelf onderzoekt.