Maatschappijwetenschappen samenvatting hoofdstuk 14
Macht: het vermogen om hulpbronnen in te zetten om de handelingsmogelijkheden van
anderen te beperken of juist te vergroten.
Bedreigingen:
1. Natuurlijke aard: epidemie, natuurrampen.
2. Technologische aard: brand, luchtverontreiniging.
3. Sociale aard: criminaliteit, oorlog of terreur.
Risicomaatschappij: daarin is het niet duidelijk wie er verantwoordelijk is voor de risico’s en
de aanpak van dreigingen.
Subjectieve veiligheid: gevoel van dreiging, van onveiligheid.
Objectieve veiligheid: aantal misdrijven en ongevallen en de kans op rampen.
Klassieke school: misdaad wordt gepleegd met het volle verstand. Vinden dat criminelen ten
alle tijden een hoge straf moeten krijgen.
⁻ Gelegenheidstheorie: als baten hoger zijn dan kosten is de kans groot dat iemand
voor criminaliteit kiest.
Moderne school: misdaad word niet gepleegd uit vrije wil. Problemen met het nature-nurture
proces in het verleden.
⁻ Bindingstheorie: bindingen werken remmend tegen criminaliteit.
⁻ Anomietheorie: falen in levensdoelen.
4 doelen van straffen:
1. Vergelding: genoegdoening.
2. Afschrikking:
⁻ Speciale preventie (gericht tegen de dader)
⁻ Algehele preventie (gericht tegen de hele samenleving).
3. Resocialisatie: criminelen zo beïnvloeden zodat ze er na een periode weer klaar voor
zijn om terug te keren in de maatschappij.
4. Bescherming van de samenleving.
Klassieke school→ daadrecht: zelfde daad, zelfde straf.
Moderne school→ daderrecht: hoe tot zijn daad gekomen? Hier pas denken aan welke straf
erbij past.
Veiligheidsutopie: de onbereikbare wens voor optimale individuele vrijheid en optimale
veiligheid.
Rechtshandhaving: beschermen van burgers doormiddel van orde en veiligheid.
Rechtsbescherming: respect dat de overheid moet hebben voor de vrijheid en privacy van
burgers.
Tweesporenbeleid: er is een beleid opgericht op preventie en een beleid voor repressie.
Preventie: voorkomen van het beleid.
Repressie: bestraffen.
Imtegraal veiligheidsbeleid: er worden dan, naast politie of justitie, verschillende
overheidsinstellingen, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven ingezet om
criminaliteit te bestrijden.
Macht: het vermogen om hulpbronnen in te zetten om de handelingsmogelijkheden van
anderen te beperken of juist te vergroten.
Bedreigingen:
1. Natuurlijke aard: epidemie, natuurrampen.
2. Technologische aard: brand, luchtverontreiniging.
3. Sociale aard: criminaliteit, oorlog of terreur.
Risicomaatschappij: daarin is het niet duidelijk wie er verantwoordelijk is voor de risico’s en
de aanpak van dreigingen.
Subjectieve veiligheid: gevoel van dreiging, van onveiligheid.
Objectieve veiligheid: aantal misdrijven en ongevallen en de kans op rampen.
Klassieke school: misdaad wordt gepleegd met het volle verstand. Vinden dat criminelen ten
alle tijden een hoge straf moeten krijgen.
⁻ Gelegenheidstheorie: als baten hoger zijn dan kosten is de kans groot dat iemand
voor criminaliteit kiest.
Moderne school: misdaad word niet gepleegd uit vrije wil. Problemen met het nature-nurture
proces in het verleden.
⁻ Bindingstheorie: bindingen werken remmend tegen criminaliteit.
⁻ Anomietheorie: falen in levensdoelen.
4 doelen van straffen:
1. Vergelding: genoegdoening.
2. Afschrikking:
⁻ Speciale preventie (gericht tegen de dader)
⁻ Algehele preventie (gericht tegen de hele samenleving).
3. Resocialisatie: criminelen zo beïnvloeden zodat ze er na een periode weer klaar voor
zijn om terug te keren in de maatschappij.
4. Bescherming van de samenleving.
Klassieke school→ daadrecht: zelfde daad, zelfde straf.
Moderne school→ daderrecht: hoe tot zijn daad gekomen? Hier pas denken aan welke straf
erbij past.
Veiligheidsutopie: de onbereikbare wens voor optimale individuele vrijheid en optimale
veiligheid.
Rechtshandhaving: beschermen van burgers doormiddel van orde en veiligheid.
Rechtsbescherming: respect dat de overheid moet hebben voor de vrijheid en privacy van
burgers.
Tweesporenbeleid: er is een beleid opgericht op preventie en een beleid voor repressie.
Preventie: voorkomen van het beleid.
Repressie: bestraffen.
Imtegraal veiligheidsbeleid: er worden dan, naast politie of justitie, verschillende
overheidsinstellingen, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven ingezet om
criminaliteit te bestrijden.