WEEK 1: DWARSLAESIE
1. Geef een algemene beschrijving van het begrip dwarslaesie.
Laesie = beschadiging van weefsel; dwarslaesie is een beschadiging van het ruggenmerg.
2. Beschrijf de verschillende oorzaken van een dwarslaesie.
- Trauma (verkeersongeval, val (i.c.m. osteoporose), sportblessure of ander trauma), gezwel,
infectie, zwelling.
3. Welke typen dwarslaesie zijn er?
Geheel of partieel ofwel: gedeeltelijk of compleet.
4. Bij welke hoogte van de dwarslaesie komt de buikademhaling in gevaar?
Bij C3,4,5 of hoger.
5. Wat betekenen de begrippen tetraplegie en paraplegie?
- Tetraplegie: alle vier de ledematen verlamd;
- Paraplegie: alleen de benen verlamd.
6. Beschrijf de verschillen tussen de acute spinale shock fase en de chronische fase.
Spinale shock: eerste stadium (tot 6 weken na ongeval): acute dwarslaesie:
- Slappe verlapping en afwezigheid spierrekkingsreflexen onder niveau van dwarslaesie.
- Neurogene shock:
o Cardiovasculaire stoornis van spinale shock: hypotensie, bradycardie en
hypothermie;
o Uitval sympathicusactiviteit
Chronische fase: autonome hyperreflexie:
- + overmatige sympathicusactiviteit: hypertensie en bradycardie.
7. Beschrijf nauwkeurig de medische gevolgen van een dwarslaesie voor de ademhaling, hartfunctie,
mictie en defecatie, vaattonus, huid.
- Zie hierboven.
8. Wat zijn mogelijke samenhangende medische diagnosen bij een dwarslaesie?
- Pneumonie, urineweginfectie, decubitus.
9. Wat zijn mogelijke complicaties van een dwarslaesie in het acute stadium en in het chronische
stadium?
- Acuut: ademhalings- of circulatieproblemen; paralytische ileus, atone blaas. Hypotensie en
bradycardie
- Chronisch: decubitus, spastische blaas, kans op urineweginfectie; obstipatie, osteoporose,
contracturen. Maagzweren of trombo-embolie.
, 10. Wat zijn de vooruitzichten op herstel van een dwarslaesie?
- Bij complete dwarslaesie: lage kans op herstel
- Bij partiële dwarslaesie of dwarslaesie door zwelling of infectie: meer kans op herstel, m.n.
wanneer onderliggend probleem zo snel mogelijk opgelost wordt.
WEEK 2: MS
Vragen MS.
1. Geef bij de verschillende neurologische klachten van Pauline aan of deze motorisch of sensorisch
van aard zijn.
- Wazig zien - sensorisch
- Uitval gezichtsveld – sensorisch
- Krachtsverlies - motorisch
- Stijf gevoel en pijn in benen. - sensorisch
2. Welke symptomen passen bij MS?
- Vermoeidheid
- + bovenstaande symptomen.
3. Hoe kan het dat MS zowel sensibele als motorische verschijnselen/klachten geeft?
- MS tast de zenuwvezels van zowel motorische als sensibele zenuwen aan.
4. Ofwel: welk deel van het zenuwstelsel is aangedaan bij MS?
- Perifeer deel.
5. De exacte oorzaak van MS is niet bekend. Van welke onderliggende oorzaak gaat men op dit
moment uit?
- Auto-immuumziekte; te hoog immunoglobine G-gehalte.
6. Wat zijn de meest voorkomende symptomen van MS?
- Vermoeidheid
- Gezichtsuitval
- Stijf gevoel in benen
- Pijn
- Tintelingen in armen en benen
7. MS is onvoorspelbaar en het beloop kan per patiënt erg verschillen. Welke verschillende
‘verlooptypen’ kun je bij MS onderscheiden?
- RRMS: Relapse-remitting MS: met exacerbaties en verbetering.
- SPSS: secundair progressief MS: geleidelijk na RRMS
- PPSS: primair progressief MS: vanaf begin geleidelijk: ernstig;
- PRMS: Progressive Relapsing MS: exacerbaties en remissies en tegelijk progressief.
8. Hoe/wanneer wordt de diagnose MS gesteld?
1. Geef een algemene beschrijving van het begrip dwarslaesie.
Laesie = beschadiging van weefsel; dwarslaesie is een beschadiging van het ruggenmerg.
2. Beschrijf de verschillende oorzaken van een dwarslaesie.
- Trauma (verkeersongeval, val (i.c.m. osteoporose), sportblessure of ander trauma), gezwel,
infectie, zwelling.
3. Welke typen dwarslaesie zijn er?
Geheel of partieel ofwel: gedeeltelijk of compleet.
4. Bij welke hoogte van de dwarslaesie komt de buikademhaling in gevaar?
Bij C3,4,5 of hoger.
5. Wat betekenen de begrippen tetraplegie en paraplegie?
- Tetraplegie: alle vier de ledematen verlamd;
- Paraplegie: alleen de benen verlamd.
6. Beschrijf de verschillen tussen de acute spinale shock fase en de chronische fase.
Spinale shock: eerste stadium (tot 6 weken na ongeval): acute dwarslaesie:
- Slappe verlapping en afwezigheid spierrekkingsreflexen onder niveau van dwarslaesie.
- Neurogene shock:
o Cardiovasculaire stoornis van spinale shock: hypotensie, bradycardie en
hypothermie;
o Uitval sympathicusactiviteit
Chronische fase: autonome hyperreflexie:
- + overmatige sympathicusactiviteit: hypertensie en bradycardie.
7. Beschrijf nauwkeurig de medische gevolgen van een dwarslaesie voor de ademhaling, hartfunctie,
mictie en defecatie, vaattonus, huid.
- Zie hierboven.
8. Wat zijn mogelijke samenhangende medische diagnosen bij een dwarslaesie?
- Pneumonie, urineweginfectie, decubitus.
9. Wat zijn mogelijke complicaties van een dwarslaesie in het acute stadium en in het chronische
stadium?
- Acuut: ademhalings- of circulatieproblemen; paralytische ileus, atone blaas. Hypotensie en
bradycardie
- Chronisch: decubitus, spastische blaas, kans op urineweginfectie; obstipatie, osteoporose,
contracturen. Maagzweren of trombo-embolie.
, 10. Wat zijn de vooruitzichten op herstel van een dwarslaesie?
- Bij complete dwarslaesie: lage kans op herstel
- Bij partiële dwarslaesie of dwarslaesie door zwelling of infectie: meer kans op herstel, m.n.
wanneer onderliggend probleem zo snel mogelijk opgelost wordt.
WEEK 2: MS
Vragen MS.
1. Geef bij de verschillende neurologische klachten van Pauline aan of deze motorisch of sensorisch
van aard zijn.
- Wazig zien - sensorisch
- Uitval gezichtsveld – sensorisch
- Krachtsverlies - motorisch
- Stijf gevoel en pijn in benen. - sensorisch
2. Welke symptomen passen bij MS?
- Vermoeidheid
- + bovenstaande symptomen.
3. Hoe kan het dat MS zowel sensibele als motorische verschijnselen/klachten geeft?
- MS tast de zenuwvezels van zowel motorische als sensibele zenuwen aan.
4. Ofwel: welk deel van het zenuwstelsel is aangedaan bij MS?
- Perifeer deel.
5. De exacte oorzaak van MS is niet bekend. Van welke onderliggende oorzaak gaat men op dit
moment uit?
- Auto-immuumziekte; te hoog immunoglobine G-gehalte.
6. Wat zijn de meest voorkomende symptomen van MS?
- Vermoeidheid
- Gezichtsuitval
- Stijf gevoel in benen
- Pijn
- Tintelingen in armen en benen
7. MS is onvoorspelbaar en het beloop kan per patiënt erg verschillen. Welke verschillende
‘verlooptypen’ kun je bij MS onderscheiden?
- RRMS: Relapse-remitting MS: met exacerbaties en verbetering.
- SPSS: secundair progressief MS: geleidelijk na RRMS
- PPSS: primair progressief MS: vanaf begin geleidelijk: ernstig;
- PRMS: Progressive Relapsing MS: exacerbaties en remissies en tegelijk progressief.
8. Hoe/wanneer wordt de diagnose MS gesteld?