Probleem 1
Het ervaren van stress
- Stress heeft een fysiek en psychologisch component. Deze kunnen op 3 manieren worden benaderd:
1. Stress als stimulus. De focus ligt op stressoren: stimuli in de omgeving die zorgen voor stress
2. Stress als respons. De focus ligt op strains: fysieke en psychologische reacties op stressoren
3. Stress als proces. De focus ligt op transacties: voortdurende interacties en aanpassingen
tussen de persoon en de stressoren in de omgeving, waaronder interpretaties en coping
- Stress: De situatie waarin transacties ertoe leiden dat een persoon een dicrepantie ervaart tussen de
fysieke of psychologische eisen van een situatie en de beschikbare biopsychosociale hulpbronnen om
met de situatie om te kunnen gaan.
Transactional model of stress
- Cognitive appraisal: Een subjectief, mentaal proces dat zich voordoet tijdens transacties en waarbij
stressoren worden geïnterpreteerd. Stress hangt vaak af van de uitkomst van dit proces. Appraisals
kunnen ook voorkomen als reactie op stress van anderen. Appraisal voltrekt zich in 2 fases:
1. Primary appraisal: Het vaststellen van de impact van de situatie op het welzijn (is de impact
goed, irrelevant of stressvol?). Situaties die als stressvol worden beoordeeld, worden verder
beoordeeld voor 3 implicaties:
- Harm-loss: De schade die er al is (bijv. ontslag)
- Threat: De verwachte toekomstige schade (bijv. geen inkomen na ontslag)
- Challenge: De mogelijkheid om voordeel te behalen door meer dan routinematige
hulpmiddelen te gebruiken om aan de eisen te voldoen (bijv. een betere baan zoeken)
2. Secondary appraisal: Het vaststellen van beschikbare hulpmiddelen om met stress om te
gaan. Een voorbeeld van deze beoordelingen is: ‘Ik kan dit als ik hard genoeg werk’.
- Wanneer een situatie als stressvol wordt beoordeeld, hangt af van 2 factoren:
1. Persoonlijke factoren, waaronder intelligentie, motivatie, overtuigingsystemen (bijv.
perfectionisme) en persoonlijkheid (bijv. zelfvertrouwen).
2. Situationele factoren, waaronder o.a. de eisen van een situatie, hoe spoedig de situatie zal
zijn en hoe gewenst, duidelijk en controleerbaar deze is. Ook kunnen belangrijke
levensovergangen en gebeurtenissen die te vroeg of te laat voorkomen stressoren zijn.
Biologische aspecten van stress
- Reactiviteit: Het fysiologische deel van de respons (strain) op een stressor.
- General adaptation syndrome (GAS): Fysiologische respons bij langdurige stress. 3 fases:
1. Alarmfase. Een adaptieve, fight-or-flight-achtige respons om zich tegen stressoren te
verdedigen, waarbij 2 systemen het lichaam in staat van paraatheid brengen:
- Sympathetic-adrenomedullary (SAM) system: Het sympatische zenuwstelsel activeert
het bijniermerg, dat adrenaline en noradrenaline vrijgeeft. Dit gebeurt zeer snel.
- Hypothalamus-pituitary-adrenal (HPA) system: De hypofyse (anterior pituitary) geeft
adrenocorticotroop hormoon (ACTH) vrij, wat leidt tot vrijgave van glucocorticoïden in
het bijnierschors (waaronder cortisol). Dit gebeurt minder snel dan SAM.
2. Weerstandsfase. Het lichaam probeert zich aan de stressor aan te passen. Hierbij domineert
HPA-activatie. De door de bijnieren vrijgegeven hormonen worden aangevuld. Psychologische
arousal blijft hoger dan normaal en men kan extra gevoelig zijn voor nieuwe stressoren. Men
kan gezondheidsproblemen ontwikkelen (bijv. hoge bloeddruk).
3. Uitputtingsfase. Lichamelijke hulpbronnen zijn beperkt en het immuunsysteem is verzwakt.
Ziekte en schade aan interne organen is waarschijnlijk; de dood kan hierop volgen.
- Allostatic load: De effecten op het lichaam wanneer het zich herhaaldelijk aan stressoren moet
aanpassen. Deze kunnen ophopen en resulteren in slechte gezondheid.
- Er zijn 4 belangrijke factoren voor de algemene mate van lichamelijke activatie of fysiologische stress:
1. De mate van blootstelling. Hoe meer, intenser en langer de blootstelling, hoe meer activatie.
2. De grootte van reactiviteit. Sommigen vertonen hevigere stressresponsen dan anderen.
3. De snelheid van herstel. Blijven denken aan de stressor kan leiden tot langdurige activatie.
4. De aanvulling van hulpbronnen. Slaap speelt hierbij een belangrijke rol.
- Naast (nor)adrenaline en cortisol zorgt stress voor vrijgave van cytokines, hormonen die betrokken
zijn bij immunologische responsen en ontsteking en koorts kunnen veroorzaken.
,(Non)specificiteit van fysiologische stressresponsen
- De aanname dat psychologische stressoren hetzelfde basispatroon van fysiologische veranderingen
produceren, is slechts gedeeltelijk waar: de specifieke respons is weldegelijk afhankelijk van de
stressor, de timing, de persoon en hoe hij of zij reageert op de stressor.
1. Geen enkele hormoon reageert volledig non-specifiek op alle stimuli. Bij stressoren die zorgen
voor een sterke emotionele respons, worden sneller alle drie hormonen geactiveerd.
2. Het patroon van fysiologische arousal tijdens stress is afhankelijk van de aan- of afwezigheid
van effort en distress van een persoon (dit haakt in op het eerste punt).
3. Uit onderzoek met scholieren bleek dat cortisolniveaus tijdens toetsdagen enkel hoger waren
bij intelligente leerlingen, suggererend dat de waarde die men aan iets hecht stress
beïnvloedt.
Psychosociale aspecten van stress
Cognitie, emotie en sociaal gedrag
- Er is sprake van een wederzijdse beïnvloeding tussen cognitie en stress. Zo kan executief
functioneren helpen om met stress om te gaan, maar stress kan het ook verstoren. Een vicieuze cirkel
ontstaat als slecht executief functioneren leidt tot stress, die executieve functies verder beperkt.
- Mensen gebruiken vaak hun emotionele staat om hun stress te evalueren. Zo kan stress leiden tot
angst, depressie of boosheid. Stress en boosheid gaan vaak gepaard met negatief sociaal gedrag.
Gender en socioculturele verschillen in stress
- Vrouwen rapporteren meer stress; dit kan gedeeltelijk echte verschillen reflecteren, misschien omdat
vrouwen meer huishoudelijk werk doen. Verder lijken minderheidsgroepen, lage opleidings- en
inkomensgroepen meer stressoren te ervaren.
Bronnen van stress in het leven
- Stress kan verschillende bronnen hebben:
1. Bronnen binnen een persoon; waaronder ziekte, motivaties en doelen (vooral over sociale
interacties en relaties zoals afwijzing en competitie), conflicten tussen keuzes (approach/
approach: keuze tussen 2 aantrekkelijke doelen; avoidance/avoidance: 2 ongewenste
situaties; approach/avoidance: 1 doel / situatie met aantrekkelijke en onaantrekkelijke kanten)
2. Bronnen binnen een gezin; waaronder een nieuwkomer in het gezin, conflicten in een huwelijk
en scheidingen, (chronische) ziekte, handicaps en dood (vooral van jonge gezinsleden).
3. Bronnen in de gemeenschap en samenleving; waaronder school, werk (bijv. door hoge
werkdruk, onveilige omgeving, slechte interpersoonlijke relaties of weinig controle), iemands
ervaren sociale status, discriminatie.
Meten van stress
Fysiologische arousal
- Stress kan worden vastgesteld mbv een meting van lichamelijke arousal, zoals bloeddruk, hartslag, en
skin-conductance response (SCR) / galvanic skin response (GSR) (veranderingen in de elektrische
geleiding van de huid); afzonderlijk of gelijktijdig mbv een polygraaf. Ook kan stress worden
onderzocht mbv monsters urine of bloed, met corticosteroïden (waaronder glucocorticoïden) en
catecholamines (waaronder adrenaline en noradrenaline).
1. Voordelen van arousal-metingen: ze zijn objectief, betrouwbaar en makkelijk kwantificeerbaar.
2. Nadelen: De metingen zijn duur, kunnen zelf stress oproepen en worden beïnvloed door
factoren als gender, gewicht, eerdere activiteit en inname van bepaalde substanties.
Levensgebeurtenissen
- Social Readjustment Rating Scale (SRRS): Schaal waarbij mensen op een lijst aanvinken welke
belangrijke levensgebeurtenissen (gekenmerkt door psychologische verandering) op hen van
toepassing zijn (bijv. zwangerschap), waarna een totale stressscore wordt berekend adhv het aantal
aangevinkte gebeurtenissen.
1. Voordelen: (1) De test bevat veel gebeurtenissen, die de meeste mensen ook echt stressvol
vinden (2) De waarden die aan deze gebeurtenissen zijn toegewezen, zijn zorgvuldig
vastgesteld en maken een goede schatting van de relatieve impact ervan (3) Snelle afname
2. Nadelen: (1) Sommige items zijn vaag, bijv. ‘ziekte’ (2) De test houdt geen rekening met de
betekenis of impact van de gebeurtenis (3) De test houdt geen rekening met chronische
stressoren (4) De schaal is afhankelijk van geheugen en eerlijkheid van de respondent.
,Daily hassles
- Daily hassles: Kleine, dagelijkse stressoren (bijv. sleutels kwijt zijn). De Hassles Scale werd
ontwikkeld om te onderzoeken hoeveel hassles men ervaarde en hoe ernstig deze waren, samen met
een uplift scale met prettige gebeurtenissen. Uit onderzoek blijkt dat hassles sterker zijn gerelateerd
aan gezondheid dan levensgebeurtenissen; uplifts zijn helemaal niet gerelateerd aan stress.
Kan stress goed zijn?
- Volgens verschillende theorieën is stress tot op zekere hoogte goed voor de gezondheid, en heeft
iedereen een ‘optimaal’ niveau van arousal (omgekeerde U). Ook wordt door sommige onderzoekers
onderscheid gemaakt tussen eustress (goede stress) en distress (slechte stress). Daarnaast speelt
cognitive appraisal een rol bij of we stress ervaren als goed en slecht.
Angst en de amygdala
Angstconditioneringsparadigma
- Angstconditioneringsparadigma: Een neutrale stimulus (CS) (bijv. een figuur) gaat gepaard met een
aversieve, ongeconditioneerde stimulus (US) (bijv. een schok), waardoor het geteste organisme een
geconditioneerde respons (CR) op de CS ontwikkelt (schrikreactie). Deze reactie kan verdwijnen als
de CS meermaals wordt vertoond zonder US (extinctieleren)
De amygdala en angstconditionering
- Het angstconditioneringsparadigma is gebruikt om het neurologische angst-circuit te onderzoeken. In
de laterale nucleus van de amygdala worden de associaties gemaakt tussen de CS en US. Tijdens
conditionering gaan cellen in dit gebied snelle veranderingen door. Hoewel de cellen na verschillende
trails terugkeren naar hun ‘startpunt’, blijft de associatie in het geheugen van de cellen, wat zou
verklaren waarom angst tijdens stress terug kan keren.
- De laterale nucleus is verbonden met de centrale. Deze verbinding zorgt voor een emotionele respons
bij het zien van bedreigende stimuli. De info over deze stimuli bereikt de amygdala via 2 aparte paden:
1. Low road: Snel en onbewust pad waarin ruwe info van sensorische delen van de thalamus
direct naar de amygdala gaat, waardoor direct reflexief gedrag kan worden geactiveerd
(fight-or-flight-response)
2. High road: Langzamer, indirect pad waarin info van de thalamus naar de sensorische cortex
gaat, waar de info zorgvuldig wordt geanalyseerd (hierbij zijn ook kennis, info over de context,
en eerdere ervaringen betrokken) en doorreist naar de thalamus, waarna het gedrag dat via
de low road was geactiveerd, wordt voortgezet of stopgezet.
- 2 soorten bewijs suggereren dat de amygdala in het bijzonder gevoelig is voor sommige stimuli:
1. Het visuele systeem is van nature gespecialiseerd in waarneming van biologische beweging
en het categoriseren van stimuli als levend of niet-levend.
2. Cellen in de rechter amygdala reageren het best op afbeeldingen van dieren, suggererend dat
er een specifiek mechanisme is voor verwerking van biologisch relevante stimuli
The neuropsychology of fear learning and fear regulation - Hamm & Weike (2005)
De potentiëring van het schrikreflex als een index van het leren van angst bij de mens
- Het schrikreflex / startle reflex (samentrekking van de oogspieren) lijkt een betrouwbare en specifieke
index van angstleren, terwijl skin-conductance leren op een meer cognitief niveau reflecteert:
1. Onderzoek: Eén stimulus werd gevolgd door een schok (CS+), één niet (CS-). Resultaten:
- Van een schrikreflex was sprake bij het tonen van CS+ (maar niet bij CS- ), ongeacht
of men zich bewust was van de associatie
- Van skin conductance was zowel sprake bij CS+ en een niet-aversieve vibratie, maar
enkel bij hen die zich de correcte associaties herinnerden
2. Vervolgonderzoek: Bij één groep ging lange presentatie van een gezicht gepaard met een
lange schok (CS+), bij een andere geen schok (CS-). In andere groepen werd de presentatie-
tijd verkort, waardoor men de stimulus moest onthouden en actief verwerken.
- CS+ (maar niet CS-) ging gepaard met een schrikreflex, bij de lange (vertraagde)
presentatie ongeacht of men bewust was van de associatie, bij de korte presentatie
enkel als men zich ervan bewust was
- Van skin conductance was zowel sprake bij vertraagde en directe presentatie, maar
enkel bij participanten die zich bewust waren van de associatie
Dit onderzoek suggereert dat bij vertraagde presentatie het angstsysteem automatisch werd
geactiveerd, terwijl bij snelle presentatie de hippocampus betrokken was.
, De neuropsychologie van menselijke angstconditionering
- Uit dieronderzoek blijkt dat een angstrespons geen representatie van de stimulus nodig heeft in de
sensorische gebieden en direct de amygdala kan bereiken. Onderzoek met een corticaal blinde man
bevestigde dat dit voor bij mensen geldt: de man vertoonde een CR (schrikreactie) bij blootstelling aan
een visuele CS (maar vertoonde geen skin conductance).
- Uit dubbel associatieonderzoek blijkt dat mensen met schade aan de amygdala een gereduceerde CR
(schrikreactie) vertonen bij het zien van een CS. Ze weten echter wel dat een CS wordt geassocieerd
met een negatieve gebeurtenis. Hun vermogen tot expliciet leren en hun declaratieve kennis over de
associate was dus intact. Het tegenovergestelde gold voor mensen met schade aan de hippocampus.
Verder lijken mensen met schade aan de amygdala weinig te discrimineren in hun respons op CS- en
CS+. Toevoeging college: De schrikreflex is onafhankelijk van angst of amygdala, maar zonder
amygdala kan de reflex niet worden versterkt.
De twee niveaus van menselijke conditionering
- Het gepresenteerde onderzoek suggereert 2 niveaus van angstconditionering:
1. (1) Een aversieve stimulus kan een angstreactie veroorzaken in de vorm van een schrikreflex.
(2) Bij het vormen van deze associaties is de amygdala essentieel en (3) is tussenkomst van
corticale verwerking niet nodig. (4) De schrikreactie is specifiek voor aversieve stimuli.
2. (1) Naast de geconditioneerde schrikreactie leert men de associaties op een puur cognitief
niveau. (2) Deze declaratieve kennis wordt geassocieerd met skin conductance. (3) De
hippocampus speelt een centrale rol.
Effects of single cortisol administrations on human affect reviewed (...) - Putman & Roelofs (2010)
Cortisol en stress
- Glucocorticoïden (GC’en) lijken voornamelijk betrokken bij de herstelfase na stress; waarschijnlijk bij
adaptieve cognitieve verwerking van emotionele, stressgerelateerde info via prefrontale en limbische
gebieden, aangezien deze gebieden over receptoren beschikken waar GC’en aan binden.
De cognitive processing hypothesis
- Cognitive processing hypothesis: Theorie die stelt dat door angst en stress de balans wordt verstoord
tussen doelgerichte verwerking van emotionele info en stimulus-gedreven (reflexmatige) verwerking,
in voordeel van stimulus-gedreven verwerking. Farmacologische interventies (zoals toediening van
cortisol) zouden het emotioneel functioneren beïnvloeden door deze balans te herstellen, leidend tot
toename van relevante cognitieve verwerking en een afname van irrelevante verwerking, en
uiteindelijk angstreductie en oriëntatie op beloning.
Literatuur-review
- Stemmingsverbetering: Uit de meerderheid van studies blijkt (1) geen onmiddellijke stemmings-
verbetering na cortisol (2) een beschermend effect van cortisol tegen reductie in positieve stemming
bij blootstelling aan stressoren.
- Openlijk emotioneel gedrag: Onderzoek suggereert dat cortisol doelgericht motivatie-georiënteerd
gedrag onmiddellijk faciliteert (bijv. agressief spel of risico’s nemen), hoewel cortisol leidde tot meer
vermijding van bedreiging bij een klinisch angstige groep (maar dit is misschien vermijdingsmotivatie).
- Aandacht voor emotioneel significante stimuli: Uit de meerderheid van studies blijkt dat cortisol
verwerking reduceert van bedreigende info die afleidend of irrelevant is voor prestatie.
- Herkenning van emotionele gezichtsuitdrukkingen: Cortisol lijkt de beoordeling van emotionele
uitdrukkingen niet te beïnvloeden, hoewel het misschien leidt tot meer arousal bij negatieve woorden.
Conclusies
- Al met al suggereert het onderzoek dat een dosis cortisol gedrag en cognitieve processen van
emotioneel significante info kan ‘resetten’ van een stimulus-gedreven, reflexieve modus naar een
meer adaptieve, doel-georiënteerde modus.
- Suggesties voor toekomstig onderzoek (1) Meer onderzoek met vrouwelijke participanten
(geslachtshormonen kunnen HPA-axis beïnvloeden en het effect van cortisol modereren) (2) Meer
systematisch het effect van verschillende doses vergelijken).
Het ervaren van stress
- Stress heeft een fysiek en psychologisch component. Deze kunnen op 3 manieren worden benaderd:
1. Stress als stimulus. De focus ligt op stressoren: stimuli in de omgeving die zorgen voor stress
2. Stress als respons. De focus ligt op strains: fysieke en psychologische reacties op stressoren
3. Stress als proces. De focus ligt op transacties: voortdurende interacties en aanpassingen
tussen de persoon en de stressoren in de omgeving, waaronder interpretaties en coping
- Stress: De situatie waarin transacties ertoe leiden dat een persoon een dicrepantie ervaart tussen de
fysieke of psychologische eisen van een situatie en de beschikbare biopsychosociale hulpbronnen om
met de situatie om te kunnen gaan.
Transactional model of stress
- Cognitive appraisal: Een subjectief, mentaal proces dat zich voordoet tijdens transacties en waarbij
stressoren worden geïnterpreteerd. Stress hangt vaak af van de uitkomst van dit proces. Appraisals
kunnen ook voorkomen als reactie op stress van anderen. Appraisal voltrekt zich in 2 fases:
1. Primary appraisal: Het vaststellen van de impact van de situatie op het welzijn (is de impact
goed, irrelevant of stressvol?). Situaties die als stressvol worden beoordeeld, worden verder
beoordeeld voor 3 implicaties:
- Harm-loss: De schade die er al is (bijv. ontslag)
- Threat: De verwachte toekomstige schade (bijv. geen inkomen na ontslag)
- Challenge: De mogelijkheid om voordeel te behalen door meer dan routinematige
hulpmiddelen te gebruiken om aan de eisen te voldoen (bijv. een betere baan zoeken)
2. Secondary appraisal: Het vaststellen van beschikbare hulpmiddelen om met stress om te
gaan. Een voorbeeld van deze beoordelingen is: ‘Ik kan dit als ik hard genoeg werk’.
- Wanneer een situatie als stressvol wordt beoordeeld, hangt af van 2 factoren:
1. Persoonlijke factoren, waaronder intelligentie, motivatie, overtuigingsystemen (bijv.
perfectionisme) en persoonlijkheid (bijv. zelfvertrouwen).
2. Situationele factoren, waaronder o.a. de eisen van een situatie, hoe spoedig de situatie zal
zijn en hoe gewenst, duidelijk en controleerbaar deze is. Ook kunnen belangrijke
levensovergangen en gebeurtenissen die te vroeg of te laat voorkomen stressoren zijn.
Biologische aspecten van stress
- Reactiviteit: Het fysiologische deel van de respons (strain) op een stressor.
- General adaptation syndrome (GAS): Fysiologische respons bij langdurige stress. 3 fases:
1. Alarmfase. Een adaptieve, fight-or-flight-achtige respons om zich tegen stressoren te
verdedigen, waarbij 2 systemen het lichaam in staat van paraatheid brengen:
- Sympathetic-adrenomedullary (SAM) system: Het sympatische zenuwstelsel activeert
het bijniermerg, dat adrenaline en noradrenaline vrijgeeft. Dit gebeurt zeer snel.
- Hypothalamus-pituitary-adrenal (HPA) system: De hypofyse (anterior pituitary) geeft
adrenocorticotroop hormoon (ACTH) vrij, wat leidt tot vrijgave van glucocorticoïden in
het bijnierschors (waaronder cortisol). Dit gebeurt minder snel dan SAM.
2. Weerstandsfase. Het lichaam probeert zich aan de stressor aan te passen. Hierbij domineert
HPA-activatie. De door de bijnieren vrijgegeven hormonen worden aangevuld. Psychologische
arousal blijft hoger dan normaal en men kan extra gevoelig zijn voor nieuwe stressoren. Men
kan gezondheidsproblemen ontwikkelen (bijv. hoge bloeddruk).
3. Uitputtingsfase. Lichamelijke hulpbronnen zijn beperkt en het immuunsysteem is verzwakt.
Ziekte en schade aan interne organen is waarschijnlijk; de dood kan hierop volgen.
- Allostatic load: De effecten op het lichaam wanneer het zich herhaaldelijk aan stressoren moet
aanpassen. Deze kunnen ophopen en resulteren in slechte gezondheid.
- Er zijn 4 belangrijke factoren voor de algemene mate van lichamelijke activatie of fysiologische stress:
1. De mate van blootstelling. Hoe meer, intenser en langer de blootstelling, hoe meer activatie.
2. De grootte van reactiviteit. Sommigen vertonen hevigere stressresponsen dan anderen.
3. De snelheid van herstel. Blijven denken aan de stressor kan leiden tot langdurige activatie.
4. De aanvulling van hulpbronnen. Slaap speelt hierbij een belangrijke rol.
- Naast (nor)adrenaline en cortisol zorgt stress voor vrijgave van cytokines, hormonen die betrokken
zijn bij immunologische responsen en ontsteking en koorts kunnen veroorzaken.
,(Non)specificiteit van fysiologische stressresponsen
- De aanname dat psychologische stressoren hetzelfde basispatroon van fysiologische veranderingen
produceren, is slechts gedeeltelijk waar: de specifieke respons is weldegelijk afhankelijk van de
stressor, de timing, de persoon en hoe hij of zij reageert op de stressor.
1. Geen enkele hormoon reageert volledig non-specifiek op alle stimuli. Bij stressoren die zorgen
voor een sterke emotionele respons, worden sneller alle drie hormonen geactiveerd.
2. Het patroon van fysiologische arousal tijdens stress is afhankelijk van de aan- of afwezigheid
van effort en distress van een persoon (dit haakt in op het eerste punt).
3. Uit onderzoek met scholieren bleek dat cortisolniveaus tijdens toetsdagen enkel hoger waren
bij intelligente leerlingen, suggererend dat de waarde die men aan iets hecht stress
beïnvloedt.
Psychosociale aspecten van stress
Cognitie, emotie en sociaal gedrag
- Er is sprake van een wederzijdse beïnvloeding tussen cognitie en stress. Zo kan executief
functioneren helpen om met stress om te gaan, maar stress kan het ook verstoren. Een vicieuze cirkel
ontstaat als slecht executief functioneren leidt tot stress, die executieve functies verder beperkt.
- Mensen gebruiken vaak hun emotionele staat om hun stress te evalueren. Zo kan stress leiden tot
angst, depressie of boosheid. Stress en boosheid gaan vaak gepaard met negatief sociaal gedrag.
Gender en socioculturele verschillen in stress
- Vrouwen rapporteren meer stress; dit kan gedeeltelijk echte verschillen reflecteren, misschien omdat
vrouwen meer huishoudelijk werk doen. Verder lijken minderheidsgroepen, lage opleidings- en
inkomensgroepen meer stressoren te ervaren.
Bronnen van stress in het leven
- Stress kan verschillende bronnen hebben:
1. Bronnen binnen een persoon; waaronder ziekte, motivaties en doelen (vooral over sociale
interacties en relaties zoals afwijzing en competitie), conflicten tussen keuzes (approach/
approach: keuze tussen 2 aantrekkelijke doelen; avoidance/avoidance: 2 ongewenste
situaties; approach/avoidance: 1 doel / situatie met aantrekkelijke en onaantrekkelijke kanten)
2. Bronnen binnen een gezin; waaronder een nieuwkomer in het gezin, conflicten in een huwelijk
en scheidingen, (chronische) ziekte, handicaps en dood (vooral van jonge gezinsleden).
3. Bronnen in de gemeenschap en samenleving; waaronder school, werk (bijv. door hoge
werkdruk, onveilige omgeving, slechte interpersoonlijke relaties of weinig controle), iemands
ervaren sociale status, discriminatie.
Meten van stress
Fysiologische arousal
- Stress kan worden vastgesteld mbv een meting van lichamelijke arousal, zoals bloeddruk, hartslag, en
skin-conductance response (SCR) / galvanic skin response (GSR) (veranderingen in de elektrische
geleiding van de huid); afzonderlijk of gelijktijdig mbv een polygraaf. Ook kan stress worden
onderzocht mbv monsters urine of bloed, met corticosteroïden (waaronder glucocorticoïden) en
catecholamines (waaronder adrenaline en noradrenaline).
1. Voordelen van arousal-metingen: ze zijn objectief, betrouwbaar en makkelijk kwantificeerbaar.
2. Nadelen: De metingen zijn duur, kunnen zelf stress oproepen en worden beïnvloed door
factoren als gender, gewicht, eerdere activiteit en inname van bepaalde substanties.
Levensgebeurtenissen
- Social Readjustment Rating Scale (SRRS): Schaal waarbij mensen op een lijst aanvinken welke
belangrijke levensgebeurtenissen (gekenmerkt door psychologische verandering) op hen van
toepassing zijn (bijv. zwangerschap), waarna een totale stressscore wordt berekend adhv het aantal
aangevinkte gebeurtenissen.
1. Voordelen: (1) De test bevat veel gebeurtenissen, die de meeste mensen ook echt stressvol
vinden (2) De waarden die aan deze gebeurtenissen zijn toegewezen, zijn zorgvuldig
vastgesteld en maken een goede schatting van de relatieve impact ervan (3) Snelle afname
2. Nadelen: (1) Sommige items zijn vaag, bijv. ‘ziekte’ (2) De test houdt geen rekening met de
betekenis of impact van de gebeurtenis (3) De test houdt geen rekening met chronische
stressoren (4) De schaal is afhankelijk van geheugen en eerlijkheid van de respondent.
,Daily hassles
- Daily hassles: Kleine, dagelijkse stressoren (bijv. sleutels kwijt zijn). De Hassles Scale werd
ontwikkeld om te onderzoeken hoeveel hassles men ervaarde en hoe ernstig deze waren, samen met
een uplift scale met prettige gebeurtenissen. Uit onderzoek blijkt dat hassles sterker zijn gerelateerd
aan gezondheid dan levensgebeurtenissen; uplifts zijn helemaal niet gerelateerd aan stress.
Kan stress goed zijn?
- Volgens verschillende theorieën is stress tot op zekere hoogte goed voor de gezondheid, en heeft
iedereen een ‘optimaal’ niveau van arousal (omgekeerde U). Ook wordt door sommige onderzoekers
onderscheid gemaakt tussen eustress (goede stress) en distress (slechte stress). Daarnaast speelt
cognitive appraisal een rol bij of we stress ervaren als goed en slecht.
Angst en de amygdala
Angstconditioneringsparadigma
- Angstconditioneringsparadigma: Een neutrale stimulus (CS) (bijv. een figuur) gaat gepaard met een
aversieve, ongeconditioneerde stimulus (US) (bijv. een schok), waardoor het geteste organisme een
geconditioneerde respons (CR) op de CS ontwikkelt (schrikreactie). Deze reactie kan verdwijnen als
de CS meermaals wordt vertoond zonder US (extinctieleren)
De amygdala en angstconditionering
- Het angstconditioneringsparadigma is gebruikt om het neurologische angst-circuit te onderzoeken. In
de laterale nucleus van de amygdala worden de associaties gemaakt tussen de CS en US. Tijdens
conditionering gaan cellen in dit gebied snelle veranderingen door. Hoewel de cellen na verschillende
trails terugkeren naar hun ‘startpunt’, blijft de associatie in het geheugen van de cellen, wat zou
verklaren waarom angst tijdens stress terug kan keren.
- De laterale nucleus is verbonden met de centrale. Deze verbinding zorgt voor een emotionele respons
bij het zien van bedreigende stimuli. De info over deze stimuli bereikt de amygdala via 2 aparte paden:
1. Low road: Snel en onbewust pad waarin ruwe info van sensorische delen van de thalamus
direct naar de amygdala gaat, waardoor direct reflexief gedrag kan worden geactiveerd
(fight-or-flight-response)
2. High road: Langzamer, indirect pad waarin info van de thalamus naar de sensorische cortex
gaat, waar de info zorgvuldig wordt geanalyseerd (hierbij zijn ook kennis, info over de context,
en eerdere ervaringen betrokken) en doorreist naar de thalamus, waarna het gedrag dat via
de low road was geactiveerd, wordt voortgezet of stopgezet.
- 2 soorten bewijs suggereren dat de amygdala in het bijzonder gevoelig is voor sommige stimuli:
1. Het visuele systeem is van nature gespecialiseerd in waarneming van biologische beweging
en het categoriseren van stimuli als levend of niet-levend.
2. Cellen in de rechter amygdala reageren het best op afbeeldingen van dieren, suggererend dat
er een specifiek mechanisme is voor verwerking van biologisch relevante stimuli
The neuropsychology of fear learning and fear regulation - Hamm & Weike (2005)
De potentiëring van het schrikreflex als een index van het leren van angst bij de mens
- Het schrikreflex / startle reflex (samentrekking van de oogspieren) lijkt een betrouwbare en specifieke
index van angstleren, terwijl skin-conductance leren op een meer cognitief niveau reflecteert:
1. Onderzoek: Eén stimulus werd gevolgd door een schok (CS+), één niet (CS-). Resultaten:
- Van een schrikreflex was sprake bij het tonen van CS+ (maar niet bij CS- ), ongeacht
of men zich bewust was van de associatie
- Van skin conductance was zowel sprake bij CS+ en een niet-aversieve vibratie, maar
enkel bij hen die zich de correcte associaties herinnerden
2. Vervolgonderzoek: Bij één groep ging lange presentatie van een gezicht gepaard met een
lange schok (CS+), bij een andere geen schok (CS-). In andere groepen werd de presentatie-
tijd verkort, waardoor men de stimulus moest onthouden en actief verwerken.
- CS+ (maar niet CS-) ging gepaard met een schrikreflex, bij de lange (vertraagde)
presentatie ongeacht of men bewust was van de associatie, bij de korte presentatie
enkel als men zich ervan bewust was
- Van skin conductance was zowel sprake bij vertraagde en directe presentatie, maar
enkel bij participanten die zich bewust waren van de associatie
Dit onderzoek suggereert dat bij vertraagde presentatie het angstsysteem automatisch werd
geactiveerd, terwijl bij snelle presentatie de hippocampus betrokken was.
, De neuropsychologie van menselijke angstconditionering
- Uit dieronderzoek blijkt dat een angstrespons geen representatie van de stimulus nodig heeft in de
sensorische gebieden en direct de amygdala kan bereiken. Onderzoek met een corticaal blinde man
bevestigde dat dit voor bij mensen geldt: de man vertoonde een CR (schrikreactie) bij blootstelling aan
een visuele CS (maar vertoonde geen skin conductance).
- Uit dubbel associatieonderzoek blijkt dat mensen met schade aan de amygdala een gereduceerde CR
(schrikreactie) vertonen bij het zien van een CS. Ze weten echter wel dat een CS wordt geassocieerd
met een negatieve gebeurtenis. Hun vermogen tot expliciet leren en hun declaratieve kennis over de
associate was dus intact. Het tegenovergestelde gold voor mensen met schade aan de hippocampus.
Verder lijken mensen met schade aan de amygdala weinig te discrimineren in hun respons op CS- en
CS+. Toevoeging college: De schrikreflex is onafhankelijk van angst of amygdala, maar zonder
amygdala kan de reflex niet worden versterkt.
De twee niveaus van menselijke conditionering
- Het gepresenteerde onderzoek suggereert 2 niveaus van angstconditionering:
1. (1) Een aversieve stimulus kan een angstreactie veroorzaken in de vorm van een schrikreflex.
(2) Bij het vormen van deze associaties is de amygdala essentieel en (3) is tussenkomst van
corticale verwerking niet nodig. (4) De schrikreactie is specifiek voor aversieve stimuli.
2. (1) Naast de geconditioneerde schrikreactie leert men de associaties op een puur cognitief
niveau. (2) Deze declaratieve kennis wordt geassocieerd met skin conductance. (3) De
hippocampus speelt een centrale rol.
Effects of single cortisol administrations on human affect reviewed (...) - Putman & Roelofs (2010)
Cortisol en stress
- Glucocorticoïden (GC’en) lijken voornamelijk betrokken bij de herstelfase na stress; waarschijnlijk bij
adaptieve cognitieve verwerking van emotionele, stressgerelateerde info via prefrontale en limbische
gebieden, aangezien deze gebieden over receptoren beschikken waar GC’en aan binden.
De cognitive processing hypothesis
- Cognitive processing hypothesis: Theorie die stelt dat door angst en stress de balans wordt verstoord
tussen doelgerichte verwerking van emotionele info en stimulus-gedreven (reflexmatige) verwerking,
in voordeel van stimulus-gedreven verwerking. Farmacologische interventies (zoals toediening van
cortisol) zouden het emotioneel functioneren beïnvloeden door deze balans te herstellen, leidend tot
toename van relevante cognitieve verwerking en een afname van irrelevante verwerking, en
uiteindelijk angstreductie en oriëntatie op beloning.
Literatuur-review
- Stemmingsverbetering: Uit de meerderheid van studies blijkt (1) geen onmiddellijke stemmings-
verbetering na cortisol (2) een beschermend effect van cortisol tegen reductie in positieve stemming
bij blootstelling aan stressoren.
- Openlijk emotioneel gedrag: Onderzoek suggereert dat cortisol doelgericht motivatie-georiënteerd
gedrag onmiddellijk faciliteert (bijv. agressief spel of risico’s nemen), hoewel cortisol leidde tot meer
vermijding van bedreiging bij een klinisch angstige groep (maar dit is misschien vermijdingsmotivatie).
- Aandacht voor emotioneel significante stimuli: Uit de meerderheid van studies blijkt dat cortisol
verwerking reduceert van bedreigende info die afleidend of irrelevant is voor prestatie.
- Herkenning van emotionele gezichtsuitdrukkingen: Cortisol lijkt de beoordeling van emotionele
uitdrukkingen niet te beïnvloeden, hoewel het misschien leidt tot meer arousal bij negatieve woorden.
Conclusies
- Al met al suggereert het onderzoek dat een dosis cortisol gedrag en cognitieve processen van
emotioneel significante info kan ‘resetten’ van een stimulus-gedreven, reflexieve modus naar een
meer adaptieve, doel-georiënteerde modus.
- Suggesties voor toekomstig onderzoek (1) Meer onderzoek met vrouwelijke participanten
(geslachtshormonen kunnen HPA-axis beïnvloeden en het effect van cortisol modereren) (2) Meer
systematisch het effect van verschillende doses vergelijken).