Engels grammatica samenvatting
simple present, present continuous, simple past, past continuous, present perfect, present perfect
continuous
Simple present o.t.t.
één werkwoord, bij he/she/it met –(e)s
voorbeeld: he lives
gebruik:
- Altijd, nooit of regelmatig
- Feit
- Werkwoorden met zintuigelijke waarneming see, hear, taste, etc.
- Werkwoorden met geestelijke staat know, understand, believe, etc.
- Vaste tijden: aankomst, vertrek, opening, sluiting, etc.
- Deze woorden die verwijzen naar de toekomst: before, after, as soon as, if, until en when.
Present continuous o.t.t.
to be + werkwoord + ing
voorbeeld: she is running
Gebruik:
- Nu bezig of aan de gang
- Als voorbereidingen zijn getroffen voor iets wat gaat gebeuren in de toekomst
Simple past o.v.t.
werkwoord + ed/ 2nd irr. verbs
voorbeeld: we decided, he believed
( je gebuikt simple past als iets in het verleden is gebeurt/gedaan)
Gebruik:
- Moment in het verleden
- Bevestigende zinnen
- Gebruikt used to/would als iets in het verleden regelmatig werd gedaan maar nu niet meer
- Used to als het om een situatie in het verleden gaat
- Ontkennend: didn’t use to
Past continuous o.v.t.
was/were + werkwoord + -ing
Voorbeeld: I was watching
Gebruik:
- Toen aan de gang
- Was aan de gang (past continuous) en werd onderbroken (simple past)
simple present, present continuous, simple past, past continuous, present perfect, present perfect
continuous
Simple present o.t.t.
één werkwoord, bij he/she/it met –(e)s
voorbeeld: he lives
gebruik:
- Altijd, nooit of regelmatig
- Feit
- Werkwoorden met zintuigelijke waarneming see, hear, taste, etc.
- Werkwoorden met geestelijke staat know, understand, believe, etc.
- Vaste tijden: aankomst, vertrek, opening, sluiting, etc.
- Deze woorden die verwijzen naar de toekomst: before, after, as soon as, if, until en when.
Present continuous o.t.t.
to be + werkwoord + ing
voorbeeld: she is running
Gebruik:
- Nu bezig of aan de gang
- Als voorbereidingen zijn getroffen voor iets wat gaat gebeuren in de toekomst
Simple past o.v.t.
werkwoord + ed/ 2nd irr. verbs
voorbeeld: we decided, he believed
( je gebuikt simple past als iets in het verleden is gebeurt/gedaan)
Gebruik:
- Moment in het verleden
- Bevestigende zinnen
- Gebruikt used to/would als iets in het verleden regelmatig werd gedaan maar nu niet meer
- Used to als het om een situatie in het verleden gaat
- Ontkennend: didn’t use to
Past continuous o.v.t.
was/were + werkwoord + -ing
Voorbeeld: I was watching
Gebruik:
- Toen aan de gang
- Was aan de gang (past continuous) en werd onderbroken (simple past)