Samenvatting biologie thema 4 V5
De bouw en functie van DNA
Bijna elke cel heeft een celkern met daarin DNA (desoxyribonucleïnezuur), dit bevat erfelijke
informatie. Het DNA in een cel bepaalt de functie van die cel, het levert de instructie voor
het maken van eiwitten. Het geheel aan erfelijke informatie noem je het genoom. Alle cellen
hebben hetzelfde genoom. Het genoom in eukaryoten bevat, behalve het DNA in de celkern
(kernDNA), ook het DNA in de mitochondriën (mtDNA), bij planten ook nog het DNA in
chloroplasten. Bij prokaryoten bevat het genoom alleen het DNA dat los in het cytoplasma
voorkomt.
Plasmide: korte stukjes circulair DNA, in prokaryoten
DNA is een nucleïnezuur, het bestaat uit twee ketens van aan elkaar gekoppelde
nucleotiden. Een nucleotide is opgebouwd uit monosacharide desoxyribose, een
fosfaatgroep en een stikstofbase. De stikstofbases zijn adenine(A), thymine(T), cytosine(C)
en guanine(G).
Desoxyribose is opgebouwd uit vijf C-atomen. Aan het vijfde C-atoom zit de fosfaatgroep.
Het derde C atoom is of gekoppeld aan een fosfaat groep van de volgende nucleotide (5’-
uiteinde) of aan een OH-groep (3’-uiteinde). Dit is belangrijk, want een enkelstrengs DNA-
molecuul, wordt altijd van 3’ naar 5’ afgelezen en gekopieerd. De stikstof basen, kunnen
door basenparing twee nucleotideketens aan elkaar verbinden. Hierbij bind A altijd aan T en
G altijd aan C. Door deze vaste combinaties zijn twee DNA-ketens complementair aan elkaar.
Dubbelstrengs DNA is altijd
een helixstructuur, waar de
ene keten van 3’ naar 5’ gaat
en de andere van 5’ naar 3’.
Bij eukaryoten is het DNA
verdeeld in chromosomen, in
een chromosoom zit een
dubbelstrengs DNA, dit is
echter opgerold. Het DNA is
om de histonen gerold. Een
aantal histonen bij elkaar
vormt samen een
nucleosoom. Het DNA tussen
twee nucleosomen in heet het
koppelings-DNA. Hierdoor
krijgt het DNA de structuur
van een kralenketting, die dan
weer wordt gespiraliseerd tot
een dikker draad.
De bouw en functie van DNA
Bijna elke cel heeft een celkern met daarin DNA (desoxyribonucleïnezuur), dit bevat erfelijke
informatie. Het DNA in een cel bepaalt de functie van die cel, het levert de instructie voor
het maken van eiwitten. Het geheel aan erfelijke informatie noem je het genoom. Alle cellen
hebben hetzelfde genoom. Het genoom in eukaryoten bevat, behalve het DNA in de celkern
(kernDNA), ook het DNA in de mitochondriën (mtDNA), bij planten ook nog het DNA in
chloroplasten. Bij prokaryoten bevat het genoom alleen het DNA dat los in het cytoplasma
voorkomt.
Plasmide: korte stukjes circulair DNA, in prokaryoten
DNA is een nucleïnezuur, het bestaat uit twee ketens van aan elkaar gekoppelde
nucleotiden. Een nucleotide is opgebouwd uit monosacharide desoxyribose, een
fosfaatgroep en een stikstofbase. De stikstofbases zijn adenine(A), thymine(T), cytosine(C)
en guanine(G).
Desoxyribose is opgebouwd uit vijf C-atomen. Aan het vijfde C-atoom zit de fosfaatgroep.
Het derde C atoom is of gekoppeld aan een fosfaat groep van de volgende nucleotide (5’-
uiteinde) of aan een OH-groep (3’-uiteinde). Dit is belangrijk, want een enkelstrengs DNA-
molecuul, wordt altijd van 3’ naar 5’ afgelezen en gekopieerd. De stikstof basen, kunnen
door basenparing twee nucleotideketens aan elkaar verbinden. Hierbij bind A altijd aan T en
G altijd aan C. Door deze vaste combinaties zijn twee DNA-ketens complementair aan elkaar.
Dubbelstrengs DNA is altijd
een helixstructuur, waar de
ene keten van 3’ naar 5’ gaat
en de andere van 5’ naar 3’.
Bij eukaryoten is het DNA
verdeeld in chromosomen, in
een chromosoom zit een
dubbelstrengs DNA, dit is
echter opgerold. Het DNA is
om de histonen gerold. Een
aantal histonen bij elkaar
vormt samen een
nucleosoom. Het DNA tussen
twee nucleosomen in heet het
koppelings-DNA. Hierdoor
krijgt het DNA de structuur
van een kralenketting, die dan
weer wordt gespiraliseerd tot
een dikker draad.