Inhoudelijke punten:
Het is niet zo dat dit nu een nieuw dogma is. De bedoeling is dat je erover gaat
nadenken. Argumenten voor en tegen het oude systeem en dit systeem. Het is
vooral de bedoeling dat je critisch gaat denken. Dat geldt juist voor dit
onderwerp. Hoe het misschien anders kan.
Het gaat hier dus niet om een soort van harmonisatie van nationale wetgeving.
Dat alle landen het oorsprongbeginsel ook in de nationale wetgeving meenemen.
Het gaat er juist om dat belastingverdragen waar we dus verschillende
allocatiecriteria hebben, met name woonplaats en bronstaat. Dat in die
vedrragen een ander criteria wordt toegepast zodat de toedeling, naar de mag
vraag, gebeurt via het oorsprongbeginsel. Als dit systeem helemaal is
doorgevoerd. Dus niet meer op bron/woonplaats.
Normaal begin je met een subject, kijk je dat subject heeft inkomen ontvangen,
dan kijk je kan Nederland heffen en dan mag Nederland ook heffen op grond van
belastingverdrag. En dan gaan we steeds beginnen met het subject en
vervolgens ga je alloctie bepalingen toepassen. dan komen we eruit of Nederland
wel of niet mag heffen. Dan heeft dat gevolgen voor belastingplichtige.
Dat oorsprongdenken begint eigenlijk bij het object. Je gaat eerst kijken wat is het
inkomen waar we het over hebben. Waar is het inkomen ontstaan. En vervolgens
kom je pas bij de vraag bij wie hoort dat inkomen, bij wie hoort het. Dat denken is
andersom. En dat zie je bijvoorbeeld ook bij het toekennen van
verdragsvoordelen, begin je eigenlijk bij het object. En dan pas komt de vraag,
wie dat mag toepassen.
In de eerste instantie gaat het om de juiste staat te vinden waar het inkomen
wordt belast. En vervolgens komt pas de vraag van wie dat dan is.
Casus 11.1
a) De docent versimpelt de opgave iets. Er zit namelijk een intermediair tussen in
de casus. Die haalt docent weg bij het simpele voorbeeld. We beginnen nu met
de situatie vennootschap X en Y. X zit in staat R en Y zit in staat O. X geeft een
lening aan Y. Y betaald interest aan X.
Als we nu naar het huidige systeem van belasting heffing kijken, het huidige
allocatie van heffingsrechten in deze situatie. Je hebt staat R en staat O Welk
land mag heffen over de rente inkomsten op grond van het huidige internationale
belastingrecht? Op grond van de huidige allocatie heffingsrechten? Op basis va
OESO verdrag. Art 11 OESO, daar staat R mag heffen en we hebben een
bronheffing in staat O. De belastingplichtige is X, altijd degene die moet betalen.
Degene die het inkomen geniet. Wat gebeurd er bij Y, die moet de rente betalen.
Heeft dat fiscale gevolgen? Rente aftrek. Y betaald rente en die mag dat ten
laste brengen van zijn belastbare winst. Als we nu even gaan kijken welk land
draagt de last van die rente inkomst ? Fiscaal gezien. Staat O, even niet naar de
belastingplichtige kijken, maar je kijkt nu naar de politieke economie. Dan is het
Het is niet zo dat dit nu een nieuw dogma is. De bedoeling is dat je erover gaat
nadenken. Argumenten voor en tegen het oude systeem en dit systeem. Het is
vooral de bedoeling dat je critisch gaat denken. Dat geldt juist voor dit
onderwerp. Hoe het misschien anders kan.
Het gaat hier dus niet om een soort van harmonisatie van nationale wetgeving.
Dat alle landen het oorsprongbeginsel ook in de nationale wetgeving meenemen.
Het gaat er juist om dat belastingverdragen waar we dus verschillende
allocatiecriteria hebben, met name woonplaats en bronstaat. Dat in die
vedrragen een ander criteria wordt toegepast zodat de toedeling, naar de mag
vraag, gebeurt via het oorsprongbeginsel. Als dit systeem helemaal is
doorgevoerd. Dus niet meer op bron/woonplaats.
Normaal begin je met een subject, kijk je dat subject heeft inkomen ontvangen,
dan kijk je kan Nederland heffen en dan mag Nederland ook heffen op grond van
belastingverdrag. En dan gaan we steeds beginnen met het subject en
vervolgens ga je alloctie bepalingen toepassen. dan komen we eruit of Nederland
wel of niet mag heffen. Dan heeft dat gevolgen voor belastingplichtige.
Dat oorsprongdenken begint eigenlijk bij het object. Je gaat eerst kijken wat is het
inkomen waar we het over hebben. Waar is het inkomen ontstaan. En vervolgens
kom je pas bij de vraag bij wie hoort dat inkomen, bij wie hoort het. Dat denken is
andersom. En dat zie je bijvoorbeeld ook bij het toekennen van
verdragsvoordelen, begin je eigenlijk bij het object. En dan pas komt de vraag,
wie dat mag toepassen.
In de eerste instantie gaat het om de juiste staat te vinden waar het inkomen
wordt belast. En vervolgens komt pas de vraag van wie dat dan is.
Casus 11.1
a) De docent versimpelt de opgave iets. Er zit namelijk een intermediair tussen in
de casus. Die haalt docent weg bij het simpele voorbeeld. We beginnen nu met
de situatie vennootschap X en Y. X zit in staat R en Y zit in staat O. X geeft een
lening aan Y. Y betaald interest aan X.
Als we nu naar het huidige systeem van belasting heffing kijken, het huidige
allocatie van heffingsrechten in deze situatie. Je hebt staat R en staat O Welk
land mag heffen over de rente inkomsten op grond van het huidige internationale
belastingrecht? Op grond van de huidige allocatie heffingsrechten? Op basis va
OESO verdrag. Art 11 OESO, daar staat R mag heffen en we hebben een
bronheffing in staat O. De belastingplichtige is X, altijd degene die moet betalen.
Degene die het inkomen geniet. Wat gebeurd er bij Y, die moet de rente betalen.
Heeft dat fiscale gevolgen? Rente aftrek. Y betaald rente en die mag dat ten
laste brengen van zijn belastbare winst. Als we nu even gaan kijken welk land
draagt de last van die rente inkomst ? Fiscaal gezien. Staat O, even niet naar de
belastingplichtige kijken, maar je kijkt nu naar de politieke economie. Dan is het