HOOFDSTUK 2 KLIMAAT
Paragraaf 1 t/m 9
DE STRALINGSBALANS
Klimaat op de aarde draait op zonne-energie. De atmosfeer zorgt voor een leefbaar klimaat.
De stralingsbalans
Het dynamisch evenwicht in inkomende evenwicht in inkomende en uitgaande straling op aarde
Op de afbeelding hieronder kan je zien dat als er 100 wordt ingestraald er 31 kortgolvige straling is en 69
langgolvige straling
De inkomende zonnestraling bestaat uit:
- kortgolvige straling, straling die bestaat uit elkaar kort opvolgende trillingen, afkomstig van de zon.
- Langgolvige straling, straling die bestaat uit relatief trage trillingen, afkomstig van het kortgolvige
straling van het opgewarmde aardoppervlakte.
HET BROEIKASEFFECT
Broeikaseffect is erg belangrijk voor de stralingsbalans. Dit is het absorberen van langgolvige straling door de
atmosfeer en dat is cruciaal voor het klimaat op aarde. Het pompt als het ware de warmte rond voordat die
weer verloren gaat aan het heelal de overgebleven energie zorgt voor:
- Latente energie (verdamping van water)
- Voelbare warmte
De atmosfeer bestaat uit
1. Stikstof 78%
2. Zuurstof 21%
3. Sporengassen (water, kooldioxide en methaan) 1%
Doordat de mens extra broeikasgassen (CO2) door verbranding van
fossiele brandstoffen (aardolie, aardgas en steenkool) aan de atmosfeer
toevoegt, wordt het broeikaseffect vertrekt.
, DE ATMOSFERISCHE CIRCULATIE
De atmosferische circulatie lucht wordt opgepompt door verwarming
Lagedrukgebied lucht zet bij opwarming uit waardoor er per volume minder luchtdeeltjes zijn hierdoor is
weinig luchtdruk en is het een lage druk gebied
Hogedrukgebied de lucht is zwaar en drukt hard op het
aardoppervlakte
Lucht kan zich verplaatsen van een laag- naar een hogedrukgebied.
Hierbij stijgt de lucht van een lagedrukgebied op en afkoelt. De
waterdamp condenseert en vormt wolken. Als de wolken zwaar genoeg
zijn zal het gaan regenen. De dalende lucht gaat richting het
aardoppervlakte waardoor de lucht weer warmer wordt. Wij mensen ervaren die als wind.
HET CORIOLISEFFECT
De wind heeft op het noordelijk (rechts) en op het zuidelijk (links) halfrond aan
afwijking door het corioliseffect wat wordt veroorzaak door:
- Draaiing van de aarde
- Verschillende baansnelheden
PASSATEN EN MOESSONS
In de tropen waait de wind op het noordelijk halfrond meestal uit het noordoosten en
op het zuidelijk halfrond van het zuidoosten. Deze winden heten passaten.
Intertropische convergentiezone (ITCZ), schuift in de onze zomer naar het noorden en in onze winter naar het
zuiden. ITCZ is het lagedrukgebied rond de evenaar.
De ITCZ loopt niet in een recht lijn omdat, water eerder opwarmt dan land.
Moesson door de verplaatsing van de ITCZ veranderd ook de wind richting. Dit heb je bijvoorbeeld in India. In
de zomer komt de wind van zee en is het erg vochtig en veel regen. In de winter komt de wind van het land en
is het droog. Deze halfjaarlijkse afbuigende passaten noem je moesson.
Warm hogedrukgebied – Kreeftskeerkring
Instabiele lagedrukgebieden – gematigde breedte
Koud luchtdrukgebied – noord- zuidpool
ZEESTROMEN
Zeestromen ontstaan door de wind
Een warme zeestroom (komt uit een warm gebied) zorgt voor een gematigd klimaat. Dit komt doordat het door
de water temperatuur nooit heel snel heel heet of juist heel koud zou worden. Het regent er wel veel doordat
het water van de warme zeestroom eerder condenseert en opstijgt waardoor er regen ontstaat.
Een koude zeestroom (komt uit een koud gebied) zorgt voor een extreem klimaat. Het regent weinig in die
gebieden doordat het water koud is duurt het lang voordat het op warmt en dus kan condenseren.
Paragraaf 1 t/m 9
DE STRALINGSBALANS
Klimaat op de aarde draait op zonne-energie. De atmosfeer zorgt voor een leefbaar klimaat.
De stralingsbalans
Het dynamisch evenwicht in inkomende evenwicht in inkomende en uitgaande straling op aarde
Op de afbeelding hieronder kan je zien dat als er 100 wordt ingestraald er 31 kortgolvige straling is en 69
langgolvige straling
De inkomende zonnestraling bestaat uit:
- kortgolvige straling, straling die bestaat uit elkaar kort opvolgende trillingen, afkomstig van de zon.
- Langgolvige straling, straling die bestaat uit relatief trage trillingen, afkomstig van het kortgolvige
straling van het opgewarmde aardoppervlakte.
HET BROEIKASEFFECT
Broeikaseffect is erg belangrijk voor de stralingsbalans. Dit is het absorberen van langgolvige straling door de
atmosfeer en dat is cruciaal voor het klimaat op aarde. Het pompt als het ware de warmte rond voordat die
weer verloren gaat aan het heelal de overgebleven energie zorgt voor:
- Latente energie (verdamping van water)
- Voelbare warmte
De atmosfeer bestaat uit
1. Stikstof 78%
2. Zuurstof 21%
3. Sporengassen (water, kooldioxide en methaan) 1%
Doordat de mens extra broeikasgassen (CO2) door verbranding van
fossiele brandstoffen (aardolie, aardgas en steenkool) aan de atmosfeer
toevoegt, wordt het broeikaseffect vertrekt.
, DE ATMOSFERISCHE CIRCULATIE
De atmosferische circulatie lucht wordt opgepompt door verwarming
Lagedrukgebied lucht zet bij opwarming uit waardoor er per volume minder luchtdeeltjes zijn hierdoor is
weinig luchtdruk en is het een lage druk gebied
Hogedrukgebied de lucht is zwaar en drukt hard op het
aardoppervlakte
Lucht kan zich verplaatsen van een laag- naar een hogedrukgebied.
Hierbij stijgt de lucht van een lagedrukgebied op en afkoelt. De
waterdamp condenseert en vormt wolken. Als de wolken zwaar genoeg
zijn zal het gaan regenen. De dalende lucht gaat richting het
aardoppervlakte waardoor de lucht weer warmer wordt. Wij mensen ervaren die als wind.
HET CORIOLISEFFECT
De wind heeft op het noordelijk (rechts) en op het zuidelijk (links) halfrond aan
afwijking door het corioliseffect wat wordt veroorzaak door:
- Draaiing van de aarde
- Verschillende baansnelheden
PASSATEN EN MOESSONS
In de tropen waait de wind op het noordelijk halfrond meestal uit het noordoosten en
op het zuidelijk halfrond van het zuidoosten. Deze winden heten passaten.
Intertropische convergentiezone (ITCZ), schuift in de onze zomer naar het noorden en in onze winter naar het
zuiden. ITCZ is het lagedrukgebied rond de evenaar.
De ITCZ loopt niet in een recht lijn omdat, water eerder opwarmt dan land.
Moesson door de verplaatsing van de ITCZ veranderd ook de wind richting. Dit heb je bijvoorbeeld in India. In
de zomer komt de wind van zee en is het erg vochtig en veel regen. In de winter komt de wind van het land en
is het droog. Deze halfjaarlijkse afbuigende passaten noem je moesson.
Warm hogedrukgebied – Kreeftskeerkring
Instabiele lagedrukgebieden – gematigde breedte
Koud luchtdrukgebied – noord- zuidpool
ZEESTROMEN
Zeestromen ontstaan door de wind
Een warme zeestroom (komt uit een warm gebied) zorgt voor een gematigd klimaat. Dit komt doordat het door
de water temperatuur nooit heel snel heel heet of juist heel koud zou worden. Het regent er wel veel doordat
het water van de warme zeestroom eerder condenseert en opstijgt waardoor er regen ontstaat.
Een koude zeestroom (komt uit een koud gebied) zorgt voor een extreem klimaat. Het regent weinig in die
gebieden doordat het water koud is duurt het lang voordat het op warmt en dus kan condenseren.