Oefentoets TT 1 Sociologie
1. Wat betekent interactie?
a. Wisselwerking van gedrag tussen mensen
b. Mensen zijn afhankelijk van elkaar
c. Iemand verplaatst zich in gedachten in de positie van een ander
2. Wat wordt er bedoeld met collectieve betekenissen?
a. Alle betekenissen van gedrag samen
b. Hoe mensen zich behoren te gedragen
c. Als men weet hoe ze de situatie moeten definiëren
3. Wat is de definitie van een fundamentele attributiefout?
a. De rol van de omgeving wordt overschat en de rol van het individu onderschat
b. De rol van de omgeving wordt onderschat en de rol van het individu overschat
c. Zowel de rol van de omgeving als het individu worden onderschat
4. Welke 3 soorten stigma’s zijn er volgens Goffman?
a. Ongewenste karaktertrekken, collectieve stigmata, lichamelijke afwijkingen
b. Collectieve stigmata, etnische stigmata, lichamelijke afwijkingen
c. Ongewenste karaktertrekken, etnische stigmata, collectieve stigmata
5. Wat betekent selfdestroying prophecy?
a. Een juiste definitie van de situatie wordt onjuist gemaakt omdat hiernaar
gehandeld wordt
b. Een onjuiste definitie van de situatie wordt juist gemaakt omdat hiernaar
gehandeld wordt
c. Een juiste definitie van de situatie blijft juist omdat hiernaar gehandeld wordt
6. Wat is de juiste definitie van het begrip cultuur?
a. Het geheel van opvattingen, normen en tradities
b. Het geheel van opvattingen, waarden en tradities
c. Het geheel van opvattingen, normen en waarden
7. Wat is een subcultuur?
a. Een cultuur die alle kenmerken heeft van de gemeenschappelijke cultuur
b. Een cultuur die een aantal kenmerken van de gemeenschappelijke cultuur heeft +
een aantal eigen kenmerken
c. Een cultuur die geen enkele kenmerken heeft van de gemeenschappelijke cultuur
+ wel eigen kenmerken
8. Wat is een voorbeeld van etnocentrisme?
a. Een mevrouw wordt beoordeeld a/d van de buurvrouw haar normen en waarden
b. Een mevrouw wordt beoordeeld a/dh haar eigen normen en waarden
c. Een mevrouw wordt beoordeeld door de samenleving a/dh van haar normen en
waarden
9. Van welke type norm spreken we als deze bedoeld zijn voor bepaalde groeperingen?
a. Universele normen
1. Wat betekent interactie?
a. Wisselwerking van gedrag tussen mensen
b. Mensen zijn afhankelijk van elkaar
c. Iemand verplaatst zich in gedachten in de positie van een ander
2. Wat wordt er bedoeld met collectieve betekenissen?
a. Alle betekenissen van gedrag samen
b. Hoe mensen zich behoren te gedragen
c. Als men weet hoe ze de situatie moeten definiëren
3. Wat is de definitie van een fundamentele attributiefout?
a. De rol van de omgeving wordt overschat en de rol van het individu onderschat
b. De rol van de omgeving wordt onderschat en de rol van het individu overschat
c. Zowel de rol van de omgeving als het individu worden onderschat
4. Welke 3 soorten stigma’s zijn er volgens Goffman?
a. Ongewenste karaktertrekken, collectieve stigmata, lichamelijke afwijkingen
b. Collectieve stigmata, etnische stigmata, lichamelijke afwijkingen
c. Ongewenste karaktertrekken, etnische stigmata, collectieve stigmata
5. Wat betekent selfdestroying prophecy?
a. Een juiste definitie van de situatie wordt onjuist gemaakt omdat hiernaar
gehandeld wordt
b. Een onjuiste definitie van de situatie wordt juist gemaakt omdat hiernaar
gehandeld wordt
c. Een juiste definitie van de situatie blijft juist omdat hiernaar gehandeld wordt
6. Wat is de juiste definitie van het begrip cultuur?
a. Het geheel van opvattingen, normen en tradities
b. Het geheel van opvattingen, waarden en tradities
c. Het geheel van opvattingen, normen en waarden
7. Wat is een subcultuur?
a. Een cultuur die alle kenmerken heeft van de gemeenschappelijke cultuur
b. Een cultuur die een aantal kenmerken van de gemeenschappelijke cultuur heeft +
een aantal eigen kenmerken
c. Een cultuur die geen enkele kenmerken heeft van de gemeenschappelijke cultuur
+ wel eigen kenmerken
8. Wat is een voorbeeld van etnocentrisme?
a. Een mevrouw wordt beoordeeld a/d van de buurvrouw haar normen en waarden
b. Een mevrouw wordt beoordeeld a/dh haar eigen normen en waarden
c. Een mevrouw wordt beoordeeld door de samenleving a/dh van haar normen en
waarden
9. Van welke type norm spreken we als deze bedoeld zijn voor bepaalde groeperingen?
a. Universele normen