§1 BOUW VAN PEZEN EN SPIEREN
Pezen bestaan uit bindweefsel met tussencelstof (koppelt weefsels aan elkaar
en houd organen op plaats) Binas 80C/D
Skeletspieren: trekken samen waardoor botten rond hun draaipunten in
gewrichten bewegen (soepelere gewrichten = goede prestaties)
Pezen verbinden skeletspieren met botten
Bij beweging: langgerekte vezels in pezen
trekken aan je botten (vezels zijn opgebouwd uit
collageen)
In tussencelstof draaien drie collageenketens,
onderling verbonden door H-bruggen, tot
quaternaire structuur
Aantal collageenmoleculen vormt collageenfibril
Collageenfibrillen vormen collageenvezel
Collageenvezels vormen collageenbundel
Zo kan de pees de kracht van spier doorgeven aan
bot
Gap junction: eiwitkanaal in celmembraan van twee buurcellen waar ionen
doorheen diffunderen van de ene cel naar de andere
Voortdurend wisselt het aantal gap junctions tussen cellen (niet permanent)
Skeletspieren: opgebouwd uit bundels spiervezels (samensmelting
spiercellen: meerdere kernen) spiervezels: bevatten myofibrillen met dunne
filamenten actine en dikke filamenten myosine -> hierdoor kunnen spieren
samentrekken
Rond bundel spiervezels: bindweefsel met bloedvaten voor doorbloeding
Net als collageenmoleculen (pezen) zijn actine en myosinefilamenten geordend
en gerangschikt:
patroon lichte en donkere
banden (dwarsgestreept
spierweefsel) Binas
90C
, Rennen of springen:
Hersenen geven opdracht
Impulsen via ruggenmerg richting beenspieren
Axonen motorneuronen vertakken -> eindigen in neuromusculaire
synapsen
Acetylcholine komt vrij: activeert spiervezels
Myosine en actine schuiven in elkaar -> sarcomeren verkorten Binas
90C
Motorische eenheid = groep spiervezels die op impulsen van één axon
reageert
§2 BEWEGINGEN IN SPIERVEZELS
Dwarsgestreepte spiervezel:
Rond bundel myofibrillen -> sarcoplasmatisch reticulum (netwerk
membranen)
In spierbundel bevat het SR Ca2+ ionen
Tegen SR liggen T-buisjes (gevuld met vloeistof en bevatten ion
kanalen), die beginnen bij het membraan rond spiervezel, sarcolemma
o Impuls via motorneuron bereikt neuromusculaire synaps ->
acetylcholine komt vrij
o Neurotransmitter depolariseert sarcolemma met T-buisjes -> impuls
komt in spier
o Ca2+ poorten in SR gaan open, Ca 2+ stroomt spiervezel in
o Myosinemoleculen schuiven tussen actinemoleculen: verkort sarcomeer
o Ca2+ pompen brengen Ca 2+ terug in SR
o Cyclus herhaalt zich
In rust: tropomyosine blokkeert bindingsplaatsen myosine- en
actinefilamenten
o Onder invloed van Ca 2+ verschuift tropomyosine en komen
bindingsplaatsen vrij: myosine kan koppelen aan actine
o Myosine (motoreiwit) gebruikt ATP om organellen te laten bewegen
o Myosinekop kan ATP omzetten in ADP en P i
o ADP bindt aan myosinekop waardoor het buigt