Psychologische stromingen: Freud en de psychodynamische benadering
“In deze kennisclip wordt de achtergrond van Sigmund Freud besproken en de
invloed van het tijdbeeld waarin hij leefde op zijn ideeën. De belangrijkste
uitgangspunten uit de psychoanalyse komen aan bod, waarbij wordt ingezoomd
op Freuds 'oermodel': het driftmodel. De kernbegrippen uit dit model worden
besproken op hoofdlijnen, evenals de vertaling naar een therapiesetting.”
De mens: Sigmund Freud
1856 – 1939
Grondlegger van alle psychologische benaderingen
De 2 tijdsbepalingen waarin hij leefde speelde een rol voor zijn theorieën:
- De tijd waarin hij carrière ging maken was er sprake van een maatschappelijk/economische
ontwikkeling namelijk de industriële revolutie. De tijd van de uitvindingen en maakbaarheid
van de samenleving.
- De normen en waarden die men hadden in die tijd en de ideeën ten aanzien van moraliteit
zijn beïnvloed door de strenge victoriaanse tijdperk. Bijvoorbeeld seksualiteit was gericht op
voortplanting en niet op genot.
De natuurlijke wetenschappelijke benadering zorgde voor een wetenschappelijk verklaring voor veel
ziektebeelden in die tijd.
Het ziektebeeld hysterie kwam veel voor in die tijd. Hysterie was een ziektebeeld dat vergelijkbaar is
met de convectiestoornis nu. Mensen kregen lichamelijke klachten zoals uitvalsverschijnselen zonder
een specifieke oorzaak. Rijke jonge vrouwen leden vooral aan dit ziektebeeld. Als verklaring werd
gegeven dat deze vrouwen een soort vrouwelijk zaad bij zich dragen dat ze vanwege het seksuele
moraal niet kwijt konden, ze raakte ‘seksueel gefrustreerd’. Dat zorgde voor de lichamelijke
klachten. De therapieën die in die tijd werden gegeven werkte niet omdat de klachten bleven.
Sigmund Freud werd bevriend met Sarko die hypnose toepaste waarbij cliënten bepaalde
verveeleden gebeurtenissen konden herbeleven. Freud heeft toen verschillende theorieën over
hypnose gecombineerd en is hij tot zijn theorievorming gekomen namelijk:
Lichamelijke symptomen kunnen een psychische oorzaak hebben. Zijn visie op de mens kan je
vergelijken met een ijstrots, je ziet alleen dat deel boven de ijsspiegel. Ook zie je maar een klein deel
bij de mens dat namelijk onze bewuste gedrag waarbij je stil kan zijn. Daarnaast heb je nog een groot
deel namelijk het onderbewuste. In het onderbewuste zitten allerlei ervaringen, driften, gevoelens
etc. die zich gaande weg ons leven hebben gevormd en bepalend zijn voor wie we zijn en wat we
doen.
Het onderbewuste is waar veel problemen vandaan kwamen. Het onderbewuste kan je niet direct
bij. Je hebt er niet direct zicht op maar het laat zich wel zien zoals:
Hypnose, maar niet iedereen hypnotiseerbaar
Dromen
, Versprekingen: spraak is beïnvloed door ons onderbewustzijn. Bij een verspreking zit er een
verborgen boodschap in.
De uitwerking: driftmodel
Het onderbewuste bestaat uit twee driften namelijk:
Levensdrift (Aros) – alles wat genot geeft
Doodsdrift (Thanatos) – er is een verlangen/agressie naar niks/rust
De driften bestaan uit lagen namelijk
Id/es: de driften of te wel onze eigen behoeften
Ego/ich: houdt rekening met de buitenwereld, zorgt voor balans tussen het id en superego.
Superego/über-ich: het deel van ons dat bestaat uit schuldgevoelens, geweten, normen en
waarden en ons ideale zelf wilt realiseren
Het driftmodel: van id naar superego
Het idee volgens Freud is: onze jeugd bestaat uit vijf verschillende fasen waarin In elke fase één deel
van het lichaam centraal staat als voornaamste bron van genot.
Vooral de vroeger jeugd is bepalend voor hoe succesvol en gelukkig we later zouden worden. De
omgeving speelt hierin een grote rol. Als een fase niet succesvol wordt doorlopen kan dat gevolgen
hebben dat je daar later last van kan krijgen. Je kan bijvoorbeeld een fixatie/obsessie houden met
betrekking tot een die fase.
Orale fase – id: baby’s ontdekken de omgeving door hun mond te gebruiken. De behoeften
van baby’s zijn eten, drinken.
Anale fase/koppigheidsfase – ego: de anus is erg belangrijk bij de zindelijkheid. Kinderen
ontwikkelen hun eigen wil. Er is sprake van een spanningsveld tussen het id (het kind wil iets)
en het ego (rekening houden met de buitenwereld).
Fallische/oedipale fase – superego: het (mannelijke) geslachtsdeel staat centraal. Namelijk
het Oedipus complex. In deze fase willen meisjes hun vader claimen en jongentjes hun
moeder. De omgeving speelt een grote rol voor het vormen van liefdesrelaties in de
toekomst.
Penisnijd: meisjes willen lijken op vader, maar beseffen dat ze geen penis kunnen hebben.
Castratieangst: vader is concurrent voor jongetje. het jongetje denkt dat het opnemen tegen
vader als gevolg kan hebben dat net zoals bij de moeder de penis verdwijnt.
Latentiefase: tijdens de basisschooltijd staat er geen specifiek lichaamsdeel centraal.
Genitale fase: de genitaliën staan tijdens de pubertijd centraal.