Slides werkgroep 2
Reinforcers zijn de stimuli
- Reinforcer = stimulus die volgend op een respons de kans op herhaling van
diezelfde respons verandert.
Positieve reinforcer = plezierige stimulus die door toedienen de kans
op een bepaalde respons vergroot.
Negatieve reinforcer = onplezierige stimulus die door toedienen de
kans op een bepaalde respons verkleint.
- Toedienen positieve reinforcer > toename respons
- Toedienen negatieve reinforcer > afname respons
Reinforcement: link tussen S-R
- Reinforcement = proces waarbij reinforcer (=stimulus) de kans op een
bepaalde respons vergroot. > reinforcement gaat altijd over toename van een
respons!
- De termen positief en negatief bij reinforcement gaan over het toedienen
vs. wegnemen van een positieve vs. negatieve reinforcer. > met als doel een
toename van een bepaalde respons!
- Toedienen positieve reinforcer > toename respons = positieve reinforcement.
- Wegnemen negatieve reinforcer > toename respons = negatieve
reinforcement.
- Let goed op verschil reinforcers en reinforcement!
- Positieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het
toedienen van een plezierige stimulus. (Stimulus is positieve reinforcer)
Als je aardig bent voor je zusje dan krijg je een snoepje.
- Negatieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het
wegnemen van een onplezierige stimulus. (Stimulus is een negatieve
reinforcer).
Ik stop pas met zeuren als je aardig bent voor je zusje.
- Straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het toedienen van een
onplezierige stimulus (stimulus = negatieve reinforcer).
Als je niet aardig bent voor je zusje krijg je een tik.
- Omissie of positieve straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het
wegnemen van een plezierige stimulus (stimulus = positieve reinforcer).
Als je niet aardig bent voor je zusje dan mag je een week lang geen tv
kijken.
Belangrijk verschil:
Negatieve reinforcement: straf:
- Toename gewenst gedrag - afname ongewenst gedrag
- Wegnemen negatieve reinforcer - toedienen negatieve reinforcer
- Piep systeem - boete
Slides werkgroep 3
Verschil cognitieve benadering en behaviorisme
, stimulus uit respons =
omgeving gedrag
stimulus uit interne respons =
omgeving gebeurtenissen gedrag
Geheugen Problemen Taal Attributen en attributies
oplossen
Geheugen
Behoud en gebruik van eerder geleerde/vergaarde informatie
Bewuste processen (expliciet geheugen):
1. Actief herinneren van deze informatie: recall
2. Het herkennen van deze informatie: recognition
Onbewuste processen (impliciet geheugen):
1. Verbetering van prestaties door herleren eerder geleerde informatie zonder
deze actief te herinneren/herkennen: relearning
2. Het sneller herkennen van een bepaalde stimulus als men iets wat daarmee
geassocieerd is eerder heeft waargenomen: priming
Kortetermijngeheugen (STM) en lange termijn geheugen (LTM.
Verschillen:
- Behoud informatie over tijd (duration):
STM 15 seconden, LTM potentieel permanent
- Capaciteit om informatie te behouden (capacity):
STM 2/7 chuncks, LTM geen limiet.
Functies
- STM (working memory)
1. Vasthouden kleine hoeveelheden informatie
2. Verwerken van informatie zodat het naar LTM kan (encoding)
3. Interactie met LTM om informatie op te halen (retrieval)
- LTM
1. Opslaan (storage) van informatie op een georganiseerde manier.
Interferentie – competitie
- Proactief: eerder/vroeger geleerd > lastiger onthouden > recent geleerd
Rijden aan de andere kant van de weg
- Retroactief: recent geleerd > lastiger onthouden > eerder/vroeger geleerd
Herinnering na rustige of drukke dag
Onthouden van informatie
- In STM:
Maintenance rehearsal: telkens herhalen van informatie zodat het in
STM blijft
Reinforcers zijn de stimuli
- Reinforcer = stimulus die volgend op een respons de kans op herhaling van
diezelfde respons verandert.
Positieve reinforcer = plezierige stimulus die door toedienen de kans
op een bepaalde respons vergroot.
Negatieve reinforcer = onplezierige stimulus die door toedienen de
kans op een bepaalde respons verkleint.
- Toedienen positieve reinforcer > toename respons
- Toedienen negatieve reinforcer > afname respons
Reinforcement: link tussen S-R
- Reinforcement = proces waarbij reinforcer (=stimulus) de kans op een
bepaalde respons vergroot. > reinforcement gaat altijd over toename van een
respons!
- De termen positief en negatief bij reinforcement gaan over het toedienen
vs. wegnemen van een positieve vs. negatieve reinforcer. > met als doel een
toename van een bepaalde respons!
- Toedienen positieve reinforcer > toename respons = positieve reinforcement.
- Wegnemen negatieve reinforcer > toename respons = negatieve
reinforcement.
- Let goed op verschil reinforcers en reinforcement!
- Positieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het
toedienen van een plezierige stimulus. (Stimulus is positieve reinforcer)
Als je aardig bent voor je zusje dan krijg je een snoepje.
- Negatieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het
wegnemen van een onplezierige stimulus. (Stimulus is een negatieve
reinforcer).
Ik stop pas met zeuren als je aardig bent voor je zusje.
- Straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het toedienen van een
onplezierige stimulus (stimulus = negatieve reinforcer).
Als je niet aardig bent voor je zusje krijg je een tik.
- Omissie of positieve straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het
wegnemen van een plezierige stimulus (stimulus = positieve reinforcer).
Als je niet aardig bent voor je zusje dan mag je een week lang geen tv
kijken.
Belangrijk verschil:
Negatieve reinforcement: straf:
- Toename gewenst gedrag - afname ongewenst gedrag
- Wegnemen negatieve reinforcer - toedienen negatieve reinforcer
- Piep systeem - boete
Slides werkgroep 3
Verschil cognitieve benadering en behaviorisme
, stimulus uit respons =
omgeving gedrag
stimulus uit interne respons =
omgeving gebeurtenissen gedrag
Geheugen Problemen Taal Attributen en attributies
oplossen
Geheugen
Behoud en gebruik van eerder geleerde/vergaarde informatie
Bewuste processen (expliciet geheugen):
1. Actief herinneren van deze informatie: recall
2. Het herkennen van deze informatie: recognition
Onbewuste processen (impliciet geheugen):
1. Verbetering van prestaties door herleren eerder geleerde informatie zonder
deze actief te herinneren/herkennen: relearning
2. Het sneller herkennen van een bepaalde stimulus als men iets wat daarmee
geassocieerd is eerder heeft waargenomen: priming
Kortetermijngeheugen (STM) en lange termijn geheugen (LTM.
Verschillen:
- Behoud informatie over tijd (duration):
STM 15 seconden, LTM potentieel permanent
- Capaciteit om informatie te behouden (capacity):
STM 2/7 chuncks, LTM geen limiet.
Functies
- STM (working memory)
1. Vasthouden kleine hoeveelheden informatie
2. Verwerken van informatie zodat het naar LTM kan (encoding)
3. Interactie met LTM om informatie op te halen (retrieval)
- LTM
1. Opslaan (storage) van informatie op een georganiseerde manier.
Interferentie – competitie
- Proactief: eerder/vroeger geleerd > lastiger onthouden > recent geleerd
Rijden aan de andere kant van de weg
- Retroactief: recent geleerd > lastiger onthouden > eerder/vroeger geleerd
Herinnering na rustige of drukke dag
Onthouden van informatie
- In STM:
Maintenance rehearsal: telkens herhalen van informatie zodat het in
STM blijft