Embryologie
De ontwikkeling van de hersenen begint in de derde week met de
ontwikkeling van de neurale plaat en – buis vanuit het neuroectoderm. Het
craniale deel van de neurale buis ontwikkelt zich tot hersenen.
De 3 primaire breinblaasjes (5 secundaire breinblaasjes) zijn:
- prosencephalon: forebrain
o telencephalon
Cerebrum
o Diencephalon
Epithalamus
Thalamus
hypothalamus
- mesencephalon: midbrain
- rhombencephalon: hindbrain
o metencephalon
pons
cerebellum
o myelencephalon
medulla oblongata
Tijdens de vijfde week buigt het brein ventraal, waardoor een aantal
flexuren (buigingen) ontstaan:
- midbrain flexuur
- cervicale flexuur
- pontine flexuur: door ongelijke groei van bovenstaande flexuren.
o Zorgt voor verdunning aan de bovenkant van de hindbrain
Door de flexuren is de positie van de witte en grijze stof anders t.o.v. het
ruggenmerg.
Anatomie
Wanneer een spier contraheert, korten de fibrillen in. De oorsprong van de
spier (proximale deel) blijft op de plaats tijdens contractie, terwijl de
invoeging van de spier (distale deel) verplaatst.
Spierkracht neemt toe wanneer het totale aantal spiercellen toeneemt. Er
worden dan spiercellen toegevoegd, waardoor de andere spiercellen iets
korter worden.
Er zijn drie soorten spiercontractie:
Reflexen: automatische, onvrijwillige bewegingen.
Tonische contractie: contractie (spiertonus), die niet resulteert in
beweging of actieve weerstand.
o Doel: handhaven van lichaamshouding en stabiliteit van de
gewrichten
, Fasische contractie:
o Isometrische contractie: de lengte van de spier blijft tijdens
contractie gelijk, maar de spierkracht niet.
o Isotone contractie: de spierlengte verandert tijdens contractie
Concentrische contractie: resulteert in beweging door
een verkorte spierlengte
Excentrieke contractie: progressie van de relaxatie van
de gecontracteerde spier
De spiervezel is de structurele unit van een spier en spieren worden
omgeven door bindweefsel:
endomysium: het bindweefsel om een individuele spiervezel heen
Perimysium: het bindweefsel om een spiervezelbundel heen
Epimysium: het bindweefsel om een gehele spier heen
De functionele unit van een spier bestaat uit een motor neuron en de
spiervezels, die hierdoor worden geïnnerveerd (= motor unit).
Er zijn verschillende functies, die een spier kan uitvoeren:
agonist (prime mover): de hoofdspier, die verantwoordelijk is voor
een specifieke beweging van het lichaam
Fixators: een spier in de proximale delen van de ledematen, die niet
bewegen (vast) tijdens beweging van distale delen van de
ledematen.
Synergist: een spier, die de actie van agonisten complementeren
Antagonist: een spier, die een precies tegenovergestelde actie heeft
ten opzichte van de agonist
o Agonist contraheert, antagonist relaxeert.
Het zenuwstelsel wordt onderverdeeld in:
Structurele onderverdeling
o Centrale zenuwstelsel (CNS): hersenen en het ruggenmerg
o Perifere zenuwstelsel (PNS): de zenuwvezels en -cellen buiten
het CNS
Functionele onderverdeling
o Somatische zenuwstelsel (SNS): het vrijwillige zenuwstelsel