2014-2015
Week 1: 50 jaar vennootschapsbelasting: beter ten halve gekeerd
dan ten hele gedwaald?
De auteurs zijn over de kansen op een fundamentele herbezinning van de VPB
niet optimistisch. Toch doen zij een oproep tot een nieuwe wetgeving met minder
gedetailleerde bepalingen. De huidige VPB bestaat al 45 jaar en is erg complex.
De complexiteit komt onder andere door de invoering van de nieuwe DNV, één
artikel werd uitgebreid tot 7 wettelijke bepalingen. De wens was om oneigenlijk
fiscaal gedrag van de belastingplichtigen de pas af te snijden. Dit is ook de reden
geweest voor de diverse andere wijzigingen van de VPB. Bijvoorbeeld al
renteaftrekbeperkingen. Behalve het tegengaan van onwenselijke constructies
via reparatiewetgeving poogt de wetgever het gedrag van de belastingplichtigen
ook op positieve wijze te beïnvloeden via fiscale incentives of tax expenditures.
Bijvoorbeeld de innovatiebox. Een andere reden voor de complexiteit van de VPB
zijn budgettaire redenen worden. Bijvoorbeeld de inperking van de
verliesverrekeningstermijnen. Ten slotte is de toegenomen snelheid en diversiteit
in onze maatschappij, in samenhang met de daaruit voortvloeiende
gedragsveranderingen bij belastingplichtigen, debet aan de toegenomen
ingewikkeldheid van de VPB. Al met al is de VPB te ingewikkeld en moet er iets
veranderen, maar hoe dan verder? In kleine stappen naar een eenvoudiger
stelsel. Afschaffing van de objectvrijstelling en stroomlijnen van de
renteaftrekbeperkingen zijn de eerste stappen. Ook kunnen een groot aantal
reparatiebepalingen worden geschrapt. De auteurs pleiten voor een geheel
nieuwe VPB.
Week 1: Invloeden op de vennootschapsbelasting
Er worden 5 invloeden besproken:
1. Invloed van maatschappelijke ontwikkelingen:
Code Tabaksblat: commissarissen houden zich hierdoor
nadrukkelijker met de fiscaliteit van de onderneming bezig. Ze
zullen voorzichter zijn ingesteld.
Toegenomen aandacht voor de wijze hoe bedrijven de
belastingheffing omgaan.
Horizontaal toezicht
Fair-share benadering: ondernemingen moet op verantwoorde wijze
met belastingheffing omgaan.
2. Invloed van de inkomstenbelasting:
IB is de rechtsgrond voor de VPB.
In de VPB wordt er verwezen naar begrippen in de IB.
De VPB hangt samen met de IB. Er bestaat een globaal evenwicht
tussen de heffing van beide.
3. Invloed van het jaarrekeningenrecht:
Directe invloed: in de VPB wordt verwezen naar bepalingen in het
jaarrekeningenrecht. Het jaarrekeningenrecht is rechtstreeks van
toepassing op de fiscale winst.
Indirecte invloed: de wetgever laat zich inspireren door het
jaarrekeningenrecht. Daarnaast is er invloed via
goedkoopmansgebruik en via de afspraken tussen de
belastingdienst en belastingplichtigen.
, 4. Invloed van het Europees recht:
Invloed van verdragsvrijheden en de bepalingen inzake verboden
staatssteun zoals neergelegd in het verdrag betreffende de werking
van de EU. Daarnaast is er invloed van het secundaire EU recht. In
de derde plaats komt de invloed van de Europese rechtspraak aan
de orde.
5. Internationale invloeden:
Door de internationale fiscale concurrentie proberen landen een zo
goed mogelijk vestigingsklimaat te creëren.
Week 2: Deelname aan het economische verkeer
De definitie van het begrip onderneming treft men niet aan in de wet. Toch
bestaat er consensus over het begrip onderneming. Van het drijven van een
onderneming is sprake als door een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid
wordt deelgenomen aan het economisch verkeer met het oogmerk winst te
behalen, welke winst ook redelijkerwijs te verwachten valt.
Natuurlijk persoon: Het criterium deelname aan het economische
verkeer vormt de uitdrukking van de eerbiediging van de privésfeer.
Besloten vennootschap: Het hele vermogen van een bv vormt
ondernemingsvermogen, een bv kan geen privévermogen hebben. Dus het
begrip deelname aan het economisch verkeer speelt geen rol.
Stichting: is belastingplichtig voor de Vpb indien en voor zover zij een
onderneming drijft. Het winstoogmerk eis komt te vervallen als de stichting
in concurrentie treedt met ondernemingen die worden gedreven door Bv’s
of natuurlijke personen.
Vereniging: zelfde voorwaarden als de stichting.
Publieke rechtspersonen: vanaf 1 januari 2016 gelden dezelfde eisen
als voor een stichting en vereniging. Er is geen sprake van deelname aan
het economische verkeer indien er uitsluitend sprake is van interne
leveringen van goederen en diensten. Bij het ontbreken van deelname aan
het economische verkeer is er geen belastingplicht.
Openbaar lichaam: is een privaatrechtelijk rechtspersoon, is
belastingplichtig voorzover zij een onderneming drijft. Het verrichten van
diensten aan een besloten groep, die niet of nauwelijks kan wijzigingen,
neigt naar de kwalificatie dat er geen sprake is van deelname aan het
economische verkeer.
Week 2: Het wetsvoorstel Vpb-plicht overheidsondernemingen
Het voorstel beoogt het creëren van een gelijk speelveld en moet zorgen dat de
Nederlandse wet in overeenstemming is met het EU-recht. Het wetsvoorstel heeft
de volgende uitgangspunten:
1. Regeling moet in overeenstemming zijn met EU-recht.
2. Gelijk speelveld tussen private-ondernemingen en concurrerende
overheidsondern.
3. Neutraliteit ten aanzien van de juridische organisatie.
4. Samenwerking tussen overheidslichamen min mogelijk belemmeren.
5. Typische overheidstaken blijven buiten de belastingplicht.
6. Belastingplicht moet passen binnen het stelsel en de systematiek van de
Vpb.
7. Stijging administratieve lasten voor overheidsinstellingen zoveel mogelijk
voorkomen.
,De hoofdregel wordt dat de ondernemingen van publiekrechtelijke
rechtspersonen belastingplichtig zijn voor de Vpb. Iedere ondernemingsactiviteit
is zelfstandig belastingplichtig maar de verschillende ondernemingen van
publiekrechtelijke rechtspersonen worden als 1 onderneming gezien. Het
voordeel is dat de resultaten van de verschillende ondernemingsactiviteiten met
elkaar kunnen worden verrekend en activa en passiva tussen de verschillende
ondernemingen kunnen worden afgerekend zonder belastingheffing.
Privaatrechtelijke overheidslichamen worden belastingplichtig volgens de regels
die gelden voor de specifieke rechtsvorm die gekozen is. Onder privaatrechtelijk
o.l. wordt verstaan:
Een lichaam waarvan de bestuurders uitsluitend door publiekrechtelijke
rechtspersonen, onmiddellijk of middellijk, worden benoemd en ontslagen
en waarvan het vermogen bij liquidatie uitsluitend ter beschikking van
publiekrechtelijke rechtspersonen komt.
Een lichaam waarvan uitsluitend publiekrechtelijke rechtspersonen of
lichamen als bedoeld in onderdeel a, onmiddellijk of middellijk,
aandeelhouders, vennoten, deelgerechtigden of leden zijn.
In het wetsvoorstel worden 4 algemene vrijstellingen geïntroduceerd voor
publiekrechtelijke rechtspersonen en privaatrechtelijke overheidslichamen, te
weten:
1. Vrijstelling voor interne activiteiten
2. Vrijstelling voor quasi-inbesteding
3. Vrijstelling voor de uitoefening van overheidstaken
4. Vrijstelling voor samenwerkingsverbanden; onder 3 voorwaarden:
a. Het samenwerkingsverband moet activiteiten verrichten voor de
publiekrechtelijke rechtspersonen of privaatrechtelijke
overheidslichamen die deel uitmaken van het
samenwerkingsverband.
b. De activiteiten zouden niet tot belastingplicht leiden indien zij
zouden zijn verricht door de deelnemende rechtspersonen of
lichamen.
c. De publiekrechtelijke rechtspersonen en lichamen die deelnemen
aan het samenwerkingsverband moeten naar evenredigheid van de
afname bijdragen in de kosten van het samenwerkingsverband.
Subjectieve vrijstellingen voor
Havenbedrijven
academische ziekenhuizen (art. 6b lid 1 onder a) uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend activiteiten verrichten als bedoeld in 1.4 lid 1 van de wet op het
hoger onderwijs. 10% marge. Als niet aan geheel of nagenoeg geheel
wordt voldaan, worden alleen de nevenactiviteiten belast.
Onderwijsinstellingen: uitsluitend of nagenoeg uitsluitend onderwijs geven
of onderzoek verrichten. Voor de toepassing vd vrijstelling geldt de
bekostigingstoets: moet hoofdzakelijk bekostigd worden uit publieke
middelen, uit wettelijk collegegeld of instelling geld.
De vrijstellingen gelden van rechtswege. Als de belastingplichtige geen prijs stelt
op toepassing van de vrijstelling kan geopteerd worden voor het achterwege
laten. Het verzoek moet worden gedaan voorafgaand aan het eerste jaar
waarover het lichaam de vrijstelling niet wenst toe te passen. Een dergelijk
verzoek is fiscaal voordelig indien met de uitoefening van de activiteiten die in
, beginsel onder de vrijstelling vallen verlies wordt gemaakt en met de overige
activiteiten winst.
Voor het begrip onderneming wordt aangesloten bij IB: een duurzame organisatie
van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het economische verkeer met het
oogmerk winst te maken.
Organisatie van arbeid en kapitaal: Als de activiteit op zodanige wijze is
georganiseerd dat sprake is van min of meer zelfstandige dienst met eigen
personeel en bedrijfsmiddelen is sprake van een organisatie.
Deelname aan het economische verkeer: dit is niet het geval als het alleen
interne prestaties zijn. Alleen activiteiten die worden verricht ten behoeve
van individuele afnemers kunnen worden beschouwd als prestaties buiten
de eigen kring. Moet sprake zijn van individueel aanwijsbare afnemer.
Winststreven: wordt aanwezig geacht indien prestaties aan derden worden
verricht waarvoor geen kostendekkende vergoeding wordt ontvangen.
In concurrentie treden: activiteiten die ten kosten van het debiet van
andere ondernemingen gaan. Alleen in concurrentie indien de activiteiten
in zekere mate winstpotentie hebben.
Toetsingsschema Wattel voor concurrentie:
1. Zijn de activiteiten gelijksoortig aan de activiteiten van anderen
concurreren? Zo ja
2. Worden de gelijksoortige activiteiten ook commercieel uitgevoerd? Zo ja
3. Welk geografische gebied is de relevante markt?
4. Welke tijdsspanne is relevant?
5. Kan de afzet ten koste gaan van het debiet van de onder 2 bedoelde
ondernemingen binnen dat geografische gebied en binnen die tijdspanne?
6. Zo ja, dan is er sprake van concurrentie. Op basis van ratio etc. nog 2
vragen?
a. Wordt de marktverstoring veroorzaakt voor het ontbreken van een
Vpb-plicht?
b. Is die marktverstoring van enige betekenis?
Hoge Raad heeft dit schema niet overgenomen.
Het Nederlandse ondernemingsbegrip is minder ruim dan het EU-begrip. In de EU
speelt het aspect winststreven geen rol. Het uitgangspunt van de
winstberekening zijn de werkelijke opbrengsten en werkelijke kosten.
Het wetsvoorstel is belangrijk verbeterd ten opzichte van het
consultatievoorstel. Het wetsvoorstel is in overeenstemming met EU recht
met uitzondering van de vrijstelling voor havens. Het grootste bezwaar op
dit wetsvoorstel is de administratieve lasten die gepaard gaan met de
invoering van de belastingplicht.
Week 2: Muziekstichting treedt in concurrentie
Een stichting organiseert jaarlijks een 2daags muziekfestival. Dit doet zij
zonder commerciële doeleinden. De resultaten fluctuerend voortdurend
van enkele tienduizenden euro’s positief tot enkele tienduizend euro’s
negatief. Iedereen doet het werk onbezoldigd. In geschil is de vraag of de
stichting aan Vpb is onderworpen? De stichting stelt dat van een
winststreven noch van concurrerende activiteiten sprake is, terwijl
subsidiair wordt aangevoerd dat zij, wanneer zij wordt geacht een