De student herkent en analyseert verschillende vormen van denken, redeneren en
argumenteren in dagelijkse situaties en in de beroepscontext zodanig dat de student tijdens
het (klinisch) redeneren zorgvuldige afwegingen kan maken en tot verantwoorde
beslissingen kan komen. (taxonomieniveau A)
Wanneer je beslissingen neemt, gebruik je twee verschillende denksystemen.
Systeem 1: snel, automatisch, instinctief, emotioneel en onbewust.
Systeem 2: langzamer en doelbewuster. Je denkt na over verschillende overwegingen en
weegt alle opties af. Onder controle en kost moeite.
Valkuilen: als je stelle beslissingen moet nemen neemt systeem 1 de leiding. Het gevolg kan
hiervan zijn dat je overhaaste beslissingen neemt, waar niet goed over na is gedacht.
Analytisch- empathisch- en irrationeel denken:
Analytisch denken: de vaardigheid om goed te analyseren.
- Je ziet snel de kern van het vraagstuk en kunt goed de hoofd- en bijzaken onderscheiden.
- Je spoort problemen snel op.
- Doorvragen en luisteren.
- Je oordeel niet baseren op emotie of gevoel maar op feiten.
- Je oordeelt niet zonder dat je het probleem van meerdere kanten bekeken hebt.
- Systematisch en logisch denken.
Empathisch denken: het herkennen, begrijpen en waarderen hoe anderen zich voelen.
- Je kunt goed reageren op mensen om je heen.
- Je bent betrokken bij anderen en je houdt rekening met hun gevoelens.
- Je probeert te begrijpen wat er door een ander zijn hoofd heen gaat en waarom hij zich zo
voelt.
- Helpen bij het oplossen van problemen en zijn daarbij in staat om anderen te kalmeren.
Irrationeel denken: conclusies trekken die niet op logische redeneringen zijn gebaseerd. De
ideevorming vind meestal plaats op basis van gevoelens, meningen of ervaringen.
- Zwart/wit denken
- Emotioneel redeneren
- Gebrek aan objectiviteit
Delen van het brein:
Limbisch brein: alles met gevoelens.
Reptiel brein: gaat heel snel, zonder na te denken, instincten.
Neocortex: hard werkende deel van de hersenen. Geheugen, leervermogen.