Inhoudsopgave
Verpleegkundig Zorgverlening....................................................................................................................... 1
Verpleegtechnisch Handelen........................................................................................................................ 20
Geneeskunde............................................................................................................................................... 37
Communicatie en Gedrag............................................................................................................................. 68
Gedragsleer................................................................................................................................................. 79
Verpleegkundig Zorgverlening
Vitale functies beoordelen
Vitale waarden
- Ademhaling
- Circulatie (hartslag/bloeddruk)
, - Temperatuur
- Bewustzijn
Ademhaling
Functie verpleegkundige
- Observeren van de kwaliteiten van ademhaling, zodat je normale waarden of
afwijkingen van de ademhaling kunt vaststellen.
- Eventueel hulpmiddelen gebruiken.
Frequentie en diepte
Ademhaling bewaken door de 4 kwaliteiten van de ademhaling waar te nemen:
1. Frequentie van de ademhaling: hoe groot is het aantal in- en uitademingen per
minuut?
2. Diepte van de ademhaling (hypo-/hyperpneu)
3. Regelmaat van de ademhaling (symmetrie, paradoxale ademhaling, bijgeluiden)
4. Ademhalingspatroon: is er steeds een terugkerend patroon in de ademhaling?
Langzame ademhaling zonder benauwdheid heeft geen verdere betekenis.
Snelle ademhaling zonder benauwdheid komt voor bij:
- Opwinding, hogere temperatuur, pijn bij diep ademhalen zoals bij een gebroken rib
of longvliesontsteking.
Normale ademfrequentie:
Kinderen vanaf 12 jaar en volwassenen 15-20 x per minuut adem
Kinderen van 5 tot 12 jaar 20-25 x per minuut adem
Kinderen van 2 tot 5 jaar 25-30 x per minuut adem
Kinderen van 1 tot 2 jaar 25-35 x per minuut adem
Kinderen jonger dan 1 jaar 30-40 per minuut adem
Ademhaling van zorgvrager met gebroken rib: ademhaling altijd oppervlakkig (ook in rust).
Ademhaling bij mensen die klagen over kortademigheid: snelle en diepe ademhaling, maar
ook snelle en oppervlakkige ademhaling is waar te nemen.
Klachten over benauwdheid: vragen wat zorgvrager bedoelt.
Ademhaling heeft vaak een regelmatig verloop: uitademing (expiratie) duurt iets langer dan
de inademing (inspiratie).
Ademritme wordt beïnvloed door de hersenstam, de plaats waar ademhalingscentrum zit.
Terminologie voor ademhalingspatronen
Apneu: geen ademhaling.
Dyspneu: kortademigheid/benauwdheid.
Hyperventilatie: overademhaling: langdurige en diepe ademhaling.
Kussmaulademhaling:
, - Vaak bij ketoacidose diabetes: hyperpneu, tachypneu.
Cheyne-strokesademhaling:
- Bij stervende zorgvragers, verminderde pompfunctie van het hart: hyperpneu,
hypopneu, apneu.
Zuchtende ademhaling
- Regelmatige ademhaling met af en toe een zucht. Normaal bij kinderen. Bij
volwassenen komt deze manier van ademhalen voor een hersenvliesontsteking en
hersenbeschadiging.
Happende ademhaling/gasping:
- Diepe inademing waarbij alle hulpademhalingsspieren worden aangespannen.
- Hoofd achter geworpen, onderkaak zakt naar beneden en mond staat open.
- Uitademing gebeurt volledig passief.
- Ademhalingsfrequentie: 5 x per minuut.
- Komt voor bij stervenden en bij mensen die na een ademhalingsstilstand weer
spontaan gaan ademen.
Atactische ademhaling
- Volledig onregelmatige ademhaling wat betreft diepte en frequentie.
- Komt voor bij slaapmiddelvergiftiging, ontwaken uit narcose en bij een hersentumor.
Geluid, geur en huidskleur
Geluid bij normale omstandigheden: zacht geruis.
Ergens in de luchtwegen een vernauwing: piepende en fluitende ademhaling (stridor).
Inspiratoire stridor
- Vernauwing zit hoog in de luchtwegen, boven de borstkas.
- Geluid tijdens inademing.
Expiratoir stridor
- Vernauwing zit lager dan de borstkas.
- Geluid bij uitademing.
Hoesten
- Krachtig uitademen bij een plotseling geopende stemspleet.
- Ontstaat wanneer de wand van de grote luchtwegen geprikkeld wordt door slijm of
als iets in het verkeerde keelgat terechtkomt.
Hik
- Plotselinge samentrekking van het middenrif waarbij stemspleet zich plotseling sluit.
- Kan wijzen op irritatie van het middenrif of van de zenuw die nar het middenrif loopt.
Hik heeft meestal niks te betekenen.
Geur van de ademlucht
- Uitgeademde lucht is normaal gesproken geurloos.
- Bij slechte gebitsverzorging kan de uitademingslucht ruiken.
- Foetor ex ore: onaangename geur uit de mond.
- Slechte adem kan veroorzaakt worden een infectie van de bovenste luchtwegen,
(alcohol, nier) vergiftigingen en stofwisselingsstoornissen.
- Ontregelde diabetes: acetongeur.
, Huidskleur in relatie tot ademhaling
Huidskleur wordt door 2 factoren bepaald:
- Hoeveelheid pigment in de huid.
- Doorbloeding van de huid: hoeveelheid zuurstof in het bloed.
Veel zuurstof: bloed rood.
Weinig zuurstof: kleur bloed donkerrood tot blauwachtig (cyanose).
Centrale cyanose: zuurstof arm bloed wordt door het hart in de aorta gepompt; slijmvliezen
worden cyanotisch.
Perifere cyanose: uit het bloed wordt veel zuurstof gehaald omdat het bloed traag door de
weefsels stroomt; vaak lichaamsuiteinden zoals vingers, tenen en neuspunt; door kou of
afknelling.
Ademhalingswaarden bepalen
Ademhalingswaarden bepalen door de ademhaling op te nemen.
- Ongemerkt doen zodat zorgvrager niet op een andere manier gaat ademhalen.
- Ademhaling tellen in combinatie met het tellen van de pols: pols vasthouden op de
borst van de zorgvrager, om beweging van in- en uitademing te voelen.
Zorgvrager gespannen: eerst pols tellen.
Zorgvrager voldoende ontspannen: frequentie van inademing tellen (dan voel je de borstkas
omhoog gaan) - > ademhaling wordt een halve minuut geobserveerd en vermenigvuldigt de
frequentie met 2.
Hulpmiddelen opnemen ademhalingsfrequentie
- Polsteller
- Secondewijzer op een horloge
- Secondewijzer op een klok
- Stopwatch (mobiel)
Circulatie bewaken
Functie circulatie/bloedsomloop
- Weefsels voorzien van zuurstof en voedingsstoffen, afvalstoffen en koolzuur
afvoeren.
- Doorbloeding van weefsels is vooral afhankelijk van de pompwerking van het hart:
- Taak VP: pompfunctie observeren, polsslag bepalen en bloeddruk opmeten.