MBOC hoorcollege membraanarchitectuur: Biogenese:
Biogenese van membranen betekend dat membranen op een gegeven moment opnieuw gemaakt
moeten worden/moeten groeien. Hiervoor moeten membraancomponenten worden aangevoerd.
- Membranen zitten niet alleen om de cel, maar ook in de cel. bijvoorbeeld in mitochondriën
of chloroplasten(planten).
- Plasmamembraan verschilt van ER membraan door: geglycosyleerde lipiden, meer
cholesterol en andere lipide verdeling (asymmetrisch).
Biogenese van membraaneiwitten:
Membraaneiwitten:
1. Integrale membraaneiwitten die het membraan overspannen in de vorm van a-helices of B-
barrels.
2. Perifere membraan eiwitten. Zijn aan een vet gebonden/verankerd met het membraan.
Functies membraaneiwitten:
1. Communicatie tussen binnen en buiten
2. Transport
3. Cel-cel contact en cel-matrix contact.
Eiwit transport route:
- Sommige eiwitten blijven in het cytosol
- Andere eiwitten gaan naar celorganellen
- Andere eiwitten moeten weer naar buiten de cel getransporteerd worden. Dit gaat via het
ER.
Mitochondriën en chloroplasten:
- Chloroplast heeft 3 membranen en 3 verschillende waterige compartimenten met specifieke
eiwitten. Dit resulteert uiteindelijk in 6 compartimenten elk met zijn eigen eiwitten.
- Mitochondriën hebben 2 membranen en hebben 4 compartimenten .
, Evolutionaire oorsprong mitochondriën:
Zuurstof kwam in de atmosfeer door het ontstaan van fotosynthetische bacteriën. De aerobe
bacteriën die er al waren zijn opgenomen door de anearobe voorloper van de eukaryote cellen. Deze
bacteriën zijn geëvolueerd tot mitochondriën met een dubbel membraan.
De bacteriële oorsprong van mitochondriën is nog terug te zien aan:
1. Dubbel membraan (zoals ook in gram negatieve bacteriën)
2. Mitochondriën hebben nog hun eigen DNA
3. Ze hebben cardiolipine, wat een bacterieel membraanlipide is.
Import eiwitten in mitochondriën:
- De meeste eiwitten worden gemaakt in de kern. De eiwitten worden vervolgens gelabeld
zodat ze weten waar ze naar toe moeten. Voor de mitochondriën is dit een mitochondriële
presequentie. Er zijn vele verschillende presequenties. Overeenkomstig hebben ze een a-
helix met een positieve kant en een meer apolaire kant. Dit apolaire kenmerk wordt herkend
door de transport receptoren.
Biogenese van membranen betekend dat membranen op een gegeven moment opnieuw gemaakt
moeten worden/moeten groeien. Hiervoor moeten membraancomponenten worden aangevoerd.
- Membranen zitten niet alleen om de cel, maar ook in de cel. bijvoorbeeld in mitochondriën
of chloroplasten(planten).
- Plasmamembraan verschilt van ER membraan door: geglycosyleerde lipiden, meer
cholesterol en andere lipide verdeling (asymmetrisch).
Biogenese van membraaneiwitten:
Membraaneiwitten:
1. Integrale membraaneiwitten die het membraan overspannen in de vorm van a-helices of B-
barrels.
2. Perifere membraan eiwitten. Zijn aan een vet gebonden/verankerd met het membraan.
Functies membraaneiwitten:
1. Communicatie tussen binnen en buiten
2. Transport
3. Cel-cel contact en cel-matrix contact.
Eiwit transport route:
- Sommige eiwitten blijven in het cytosol
- Andere eiwitten gaan naar celorganellen
- Andere eiwitten moeten weer naar buiten de cel getransporteerd worden. Dit gaat via het
ER.
Mitochondriën en chloroplasten:
- Chloroplast heeft 3 membranen en 3 verschillende waterige compartimenten met specifieke
eiwitten. Dit resulteert uiteindelijk in 6 compartimenten elk met zijn eigen eiwitten.
- Mitochondriën hebben 2 membranen en hebben 4 compartimenten .
, Evolutionaire oorsprong mitochondriën:
Zuurstof kwam in de atmosfeer door het ontstaan van fotosynthetische bacteriën. De aerobe
bacteriën die er al waren zijn opgenomen door de anearobe voorloper van de eukaryote cellen. Deze
bacteriën zijn geëvolueerd tot mitochondriën met een dubbel membraan.
De bacteriële oorsprong van mitochondriën is nog terug te zien aan:
1. Dubbel membraan (zoals ook in gram negatieve bacteriën)
2. Mitochondriën hebben nog hun eigen DNA
3. Ze hebben cardiolipine, wat een bacterieel membraanlipide is.
Import eiwitten in mitochondriën:
- De meeste eiwitten worden gemaakt in de kern. De eiwitten worden vervolgens gelabeld
zodat ze weten waar ze naar toe moeten. Voor de mitochondriën is dit een mitochondriële
presequentie. Er zijn vele verschillende presequenties. Overeenkomstig hebben ze een a-
helix met een positieve kant en een meer apolaire kant. Dit apolaire kenmerk wordt herkend
door de transport receptoren.