Les 1 – 16 november 2021
H1&2
Automatisch/autonoom:
Opvallend; je weet niet waarom je van je partner/lekkerste eten houdt.
Taille/heupverhouding
Cocktailparty effect:
Je hoort ergens je naam en je denkt ‘hey, het gaat over mij’.
Wat is sociale psychologie?
Wetenschappelijk onderzoek naar de wijze waarop gedachten, gevoelens en
gedragingen (waarop ga je sturen?) van mensen worden beïnvloed door de feitelijke of
denkbeeldige aanwezigheid van andere mensen (Allport, 1985). Bij sociale
psychologie kijk je ook naar de gemeenschappelijke dingen, je maakt allerlei dezelfde
processen mee. Ook niet bewuste mensen zoals je moeder, kan je gedrag
beïnvloeden. Ze vindt dat jurkje wat je aan hebt, bijvoorbeeld ordinair.
Wat zijn voorbeelden van sociale psychologie?
Wat is het verschil met sociale en andere soorten psychologie?
Persoonlijkheidspsychologie: je kijkt naar jezelf (uniekheid)
Sociologie: impact op maatschappelijk gebied (hoe denken/gedragen wij?)
Sociale psychologie: wat doen we allemaal hetzelfde, impact sociale invloed
Basismotieven van gedachten en gedrag:
1. Je goed voelen over jezelf
2. De wereld accuraat waarnemen
Hindsight bias:
De achteraf fout (wijsheid achteraf). De neiging van mensen om iets te overschatten
nadat iets al bekend is.
Mentale strategieën of aannames om snel en efficiënt te kunnen beoordelen:
Beschikbaarheidsheuristiek (onbewust nadenken)
Mentale aanname waarbij mensen een oordeel baseren op het gemak
waarmee ze zich iets voor de geest kunnen halen.
(Vb. in les waarbij iedereen ‘opeens’ iets moest opschrijven en iedereen vaak
rood, roos en hond op schrijft.)
Representativiteitsheuristiek (context)
Mentale aanname waarbij mensen iets classificeren op grond van de mate
waarin het lijkt op een karakteristiek geval.
(Vb. denk aan Kees die omschreven wordt en je daarbij een inschatting moet
maken van de waarschijnlijkheid van zijn beroep).
,Heuristiek= mentale strategie of aanname om snel en efficiënt te kunnen
beoordelen.
Halo-effect= iemand die slim is, is ook meteen aardig, lief leuk, etc.
, Les 2 – 23 november 2021
H3&4&5
Tegen feitelijk denken= ‘als….. dan…’.
Schema’s:
Hardnekkig
Slaan extreem om bij nieuwe informatie
Beïnvloeden verwachtingen en het uitkomen van verwachtingen
Schema’s:
Structuren in onze kennis over de sociale wereld organiseren (als het ware een soort
mindmap in je hoofd) je associeer je dat.
Verschil tussen schema’s (associaties) en script (protocol) stap 1 tijdslot reserveren,
stap 2 laat je QR-code zien en stap 3 ga zitten.
Soorten schema’s:
Script: (gedragsregels, je hoort je zus of zo te gedragen)
Priming: (voorgevormd denken) experiment dat mensen woorden kregen
als: rollator, grijs, oud en andere groep kreeg groen/fiets/new York en de
eerste groep liep automatisch langzamer.
Priming:
Selffulfilling prophecy:
Wanneer je gaat handelen naar het beeld dat je hebt, dan krijg je hetzelfde
terug. Je overtuiging wordt vanzelf waar. Je vindt iemand onaardig en je gaat
ernaar handelen.
Pygmalion-effect:
Positieve selffulfilling prophecy. Positief; iets/iemand positief benaderen (vb.
denken dat iemand leuk is en dan degene ook echt leuk vinden).
Wanneer heeft een primer effect:
Het is toegankelijk
o Iets is recent geprimed (je hebt het nog onthouden) of;
o Het is altijd toegankelijk
Het is toepasbaar
Attributietheorie:
Gaat over de manier waarop mensen de oorzaken van hun eigen gedrag en
andermans gedrag verklaren. Twee soorten:
1. Interne attributie (oorzaak gedrag ligt aan de persoonlijkheid)
2. Externe attributie (oorzaak ligt aan omgeving/omstandigheden)
Fundamentele attributiefout:
Iemands gedrag verklaren op basis van hun persoonlijkheid.
Dus de rol van interne factoren overschatten, rol van omgevingsfactoren
onderschatten.
Iemands gedrag = zijn/haar persoonlijkheid