Samenvatting Hoofdstuk 7
Paragraaf 1
Een oplossing van zuur, basisch of neutraal zijn, we gebruiken pH om het verschil in
zuurgraad in een getalwaarde weer te geven. Bij pH is het: pH<7 = zuur, hoe lager
hoe groter de hoeveelheid zuur is. pH>7 is basisch, hoe hoger de pH hoe groter de
hoeveelheid base in de oplossing. Als de pH=7 dan is de oplossing neutraal. de pH ligt
tussen de 0 en de 14.
Om de checken of een oplossing zuur bevat gebruik je een stof die in een zure
oplossing een andere kleur hebben dan in een oplossing die niet zuur is, die stof
noemen we indicatoren. Dit zijn de 3 indicatoren:
1) Lakmoes; de stof komt in twee kleuren voor: rood en blauw. de kleur van het
lakmoes hangt af van de zuurtegraad, in een zure oplossing kleurt het blauwe
oplossing rood en in een basische oplossing kleurt het rode oplossing blauw. In
een neutrale oplossing veranderd het kleur van de lakmoes niet.
2) Universeelindicator; Dit is papier waarop een mengsel van verschillende
indicatoren is aangebracht, die afhankelijk van de pH waarde een kleurenreeks
vertonen. De kleuren met de bijbehorende pH waarden staan op het doosje.
3) Oplossingen; Er zijn ook oplossingen van kleurstoffen die bruikbaar zijn als
indicator (Binas: 52A). Het gebied waarin de indicator van kleur verandert
noemen we het omslagtraject. Als je de kleur moet aangeven van een
omslagtraject, is dat een mengsel van het begin kleur en het eindkleur
(voorbeeld: pH< 4,8 = rood en pH>6 =geel. Welke kleur geeft pH 5,0? Rood +
geel geeft oranje. )