• Bloed vervoert voedingsstoffen en zuurstof naar de cellen. Na verbranding van de
voedingsstoffen ontstaan afvalstoffen. De afvalstoffen worden door het bloed afgevoerd. De
constante aan- en afvoer van voedingsstoffen en afvalstoffen houden een organisme in
leven.
• Bloed bestaat uit bloedplasma (ca. 55%) en uit bloedcellen en bloedplaatjes (ca. 45%).
• Bloedplasma: water met plasma-eiwitten (o.a. fibrinogeen) en opgeloste stoffen (o.a.
zouten).
– Bloedplasma vervoert zuurstof (een kleine hoeveelheid), voedingsstoffen (o.a. glucose),
hormonen, enzymen, geneesmiddelen, antistoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen.
– Bloedplasma zorgt voor verspreiding van warmte door het lichaam.
• Rode bloedcellen:
– Ronde schijfjes met in het midden een indeuking.
– Ontstaan uit stamcellen in het rode beenmerg en hebben geen celkern.
– Worden na ongeveer vier maanden afgebroken in het rode beenmerg, de milt en de lever.
– Rode bloedcellen bevatten hemoglobine.
– Functie: zuurstof vervoeren.
– Bloedarmoede: het bloed bevat te weinig hemoglobine of te weinig rode bloedcellen.
Daardoor kan iemand zich voortdurend zwak en moe voelen. Mogelijke oorzaak: het voedsel
bevat te weinig ijzerzouten (voor de vorming van hemoglobine is ijzer nodig).
• Witte bloedcellen:
– Cellen met celkern.
– Witte bloedcellen hebben geen vaste vorm: ze kunnen door de wand van haarvaten heen.
– Ontstaan uit stamcellen in het rode beenmerg (witte bloedcellen die antistoffen vormen,
ontwikkelen zich verder in lymfeknopen).
– Functie: afweer tegen ziekteverwekkers (door bacteriën in te sluiten of door antistoffen).
– Etter (pus): dode witte bloedcellen en gedode bacteriën.
– Leukemie: een vorm van kanker in het rode beenmerg waarbij er te veel witte bloedcellen
worden gevormd, die bovendien niet goed werken. Er worden te weinig rode bloedcellen en
bloedplaatjes gemaakt.
• Bloedplaatjes:
– Delen van uiteengevallen cellen, zonder celkern.
– Ontstaan in het rode beenmerg.
– Functie: bloedstolling.
• Bloedstolling:
– Bij verwonding wordt het bloedvat nauwer.
– Bloedplaatjes kleven aan de beschadigde bloedvatwand en vormen een propje.
– Uit deze bloedplaatjes komen stoffen vrij. Onder invloed van deze stoffen wordt
fibrinogeen omgezet in fibrine.
– Fibrine vormt een netwerk van draden op de wond waarin bloedcellen blijven hangen: de
wond wordt afgesloten met een bloedstolsel.