10.2 Inkomsten van de collectieve sector
1. Directe belastingen → direct aan belasting betaald (inkomstenbelasting etc)
2. Indirecte belastingen → indirect aan belasting betaald (btw)
3. Premies financieren sociale zekerheid en zorgsector
4. overige inkomsten → niet-belastinginkomsten (retributies: vergoeding voor
dienst/goed geleverd aan individu van overheid (paspoort/rijbewijs) & heffingen
lagere overheden (rioolbelasting)
Men met hogere inkomens betalen procentueel meer belasting (progressief)
- draagkrachtbeginsel: sterkste schouders dragen de zwaarste lasten
- profijtbeginsel: je betaalt meer belasting naarmate je meer gebruikmaakt van
overheidsvoorzieningen
- solidariteitsbeginsel: belastingbetaler ondersteunt de zwakkeren in samenleving
Collectievelastendruk: percentage van het bbp dat naar de collectieve sector gaat (land)
𝑖𝑛𝑘𝑜𝑚𝑠𝑡𝑒𝑛 𝑐𝑜𝑙𝑙𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒 𝑠𝑒𝑐𝑡𝑜𝑟
- 𝑏𝑟𝑢𝑡𝑜 𝑏𝑖𝑛𝑛𝑒𝑛𝑙𝑎𝑛𝑑𝑠 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡
· 100%
Gemiddelde belasting- en premiedruk: % van bruto inkomen naar belastingdienst
Marginale belastingdruk: deel van het extra inkomen dat aan de fiscus moet worden betaald
Inkomstenbelasting
● box 1: het verdiende arbeidsinkomen, woningforfait en het inkomen dat de eigen
woning oplevert, worden belast
○ in schijf 1 wordt naast inkomstenbelasting ook sociale premies betaald
● box 2: beleggingen in min 5% van de aandelen van bepaalde onderneming
● box 3: het vermogen wordt belast
Stappenplan inkomstenbelasting berekenen
1. bepaal bruto jaarinkomen (op jaaropgave)
2. bereken het eigenwoningforfait (% van WOZ-waarde)
3. bereken het belastbaar inkomen (bji +ewf) - aftrekposten (% van hypotheekrente)
4. bereken belasting in box 1 dmv belastbaar inkomen via schijventarief
5. verminder belasting met kortingen
6. bereken of je nog geld moet betalen/ terugkrijgt van loonheffing (voorheffing)
13.1 Productie en inkomen
productiefactoren → geleverd door beloning→ geleverd door ondernemingen
gezinnen aan ondernemingen aan gezinnen→ alle beloningen bij elkaar:
nationaal inkomen (binnen nl)
kapitaal: kapitaalgoederen rente, aandeelhouders: dividend
arbeid: al het menselijk handelen bij loon
productie
natuur: gebied pacht
ondernemerschap: taak om de winst
, bovengenoemde 3 factoren goed te
combineren
binnenlands inkomen: (binnen de grenzen)
Toegevoegde waarde: waardevermeerdering aan producten die bij andere ondernemingen
zijn ingekocht → zelfde als produceren
- toegevoegde waarde = omzet - intermediair verbruik (ingekochte producten)
- alle toegevoegde waarde: nationaal product
- nationaal product (Y) = nationaal inkomen (W)
- bruto toegevoegde waarde: afschrijvingen (waardevermindering van
kapitaalgoederen) nog niet vanaf
- netto toegevoegde waarde: afschrijvingen wel vanaf
Bruto binnenlands product (bbp) : toegevoegde waarde ondernemingen + overheid
- toegevoegde waarde overheid = bedrag ambtenarensalarissen
Bbp - afschrijvingen = W (netto binnenlands product)
Productie tegen marktprijzen: productie + indirecte belastingen (accijns, btw) & subsidies
Productie tegen factorkosten: productie zonder indirecte belastingen & subsidies
Finale bestedingen: alle aankopen exclusief intermediair verbruik
- consumptie, investeringen, overheidsbestedingen, import, export
Primaire beloningen: internationale betalingen als beloning voor productiefactoren
(productiefactoren in buitenland ingezet → de factorbeloningen naar nl overgemaakt)
- behoort niet tot bbp, wel tot (netto) nationaal inkomen
Kringloop en nationale boekhouding
Y netto nationaal inkomen W netto binnenlands product
C gezinsconsumptie I netto-inversteringen van
ondernemingen
O netto overheidsbestedingen B belastingen
S gezinsbesparingen E export
M import
𝑌=𝑊
- verschil tussen Y en W → primaire beloningen
- aan elkaar gelijkstellen als ze even groot zijn/ telt primaire beloningen niet mee
𝑊=𝐶+𝐼+𝑂+𝐸−𝑀
- (𝐶 + 𝐼 + 𝑂): nationale bestedingen
1. Directe belastingen → direct aan belasting betaald (inkomstenbelasting etc)
2. Indirecte belastingen → indirect aan belasting betaald (btw)
3. Premies financieren sociale zekerheid en zorgsector
4. overige inkomsten → niet-belastinginkomsten (retributies: vergoeding voor
dienst/goed geleverd aan individu van overheid (paspoort/rijbewijs) & heffingen
lagere overheden (rioolbelasting)
Men met hogere inkomens betalen procentueel meer belasting (progressief)
- draagkrachtbeginsel: sterkste schouders dragen de zwaarste lasten
- profijtbeginsel: je betaalt meer belasting naarmate je meer gebruikmaakt van
overheidsvoorzieningen
- solidariteitsbeginsel: belastingbetaler ondersteunt de zwakkeren in samenleving
Collectievelastendruk: percentage van het bbp dat naar de collectieve sector gaat (land)
𝑖𝑛𝑘𝑜𝑚𝑠𝑡𝑒𝑛 𝑐𝑜𝑙𝑙𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒𝑣𝑒 𝑠𝑒𝑐𝑡𝑜𝑟
- 𝑏𝑟𝑢𝑡𝑜 𝑏𝑖𝑛𝑛𝑒𝑛𝑙𝑎𝑛𝑑𝑠 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡
· 100%
Gemiddelde belasting- en premiedruk: % van bruto inkomen naar belastingdienst
Marginale belastingdruk: deel van het extra inkomen dat aan de fiscus moet worden betaald
Inkomstenbelasting
● box 1: het verdiende arbeidsinkomen, woningforfait en het inkomen dat de eigen
woning oplevert, worden belast
○ in schijf 1 wordt naast inkomstenbelasting ook sociale premies betaald
● box 2: beleggingen in min 5% van de aandelen van bepaalde onderneming
● box 3: het vermogen wordt belast
Stappenplan inkomstenbelasting berekenen
1. bepaal bruto jaarinkomen (op jaaropgave)
2. bereken het eigenwoningforfait (% van WOZ-waarde)
3. bereken het belastbaar inkomen (bji +ewf) - aftrekposten (% van hypotheekrente)
4. bereken belasting in box 1 dmv belastbaar inkomen via schijventarief
5. verminder belasting met kortingen
6. bereken of je nog geld moet betalen/ terugkrijgt van loonheffing (voorheffing)
13.1 Productie en inkomen
productiefactoren → geleverd door beloning→ geleverd door ondernemingen
gezinnen aan ondernemingen aan gezinnen→ alle beloningen bij elkaar:
nationaal inkomen (binnen nl)
kapitaal: kapitaalgoederen rente, aandeelhouders: dividend
arbeid: al het menselijk handelen bij loon
productie
natuur: gebied pacht
ondernemerschap: taak om de winst
, bovengenoemde 3 factoren goed te
combineren
binnenlands inkomen: (binnen de grenzen)
Toegevoegde waarde: waardevermeerdering aan producten die bij andere ondernemingen
zijn ingekocht → zelfde als produceren
- toegevoegde waarde = omzet - intermediair verbruik (ingekochte producten)
- alle toegevoegde waarde: nationaal product
- nationaal product (Y) = nationaal inkomen (W)
- bruto toegevoegde waarde: afschrijvingen (waardevermindering van
kapitaalgoederen) nog niet vanaf
- netto toegevoegde waarde: afschrijvingen wel vanaf
Bruto binnenlands product (bbp) : toegevoegde waarde ondernemingen + overheid
- toegevoegde waarde overheid = bedrag ambtenarensalarissen
Bbp - afschrijvingen = W (netto binnenlands product)
Productie tegen marktprijzen: productie + indirecte belastingen (accijns, btw) & subsidies
Productie tegen factorkosten: productie zonder indirecte belastingen & subsidies
Finale bestedingen: alle aankopen exclusief intermediair verbruik
- consumptie, investeringen, overheidsbestedingen, import, export
Primaire beloningen: internationale betalingen als beloning voor productiefactoren
(productiefactoren in buitenland ingezet → de factorbeloningen naar nl overgemaakt)
- behoort niet tot bbp, wel tot (netto) nationaal inkomen
Kringloop en nationale boekhouding
Y netto nationaal inkomen W netto binnenlands product
C gezinsconsumptie I netto-inversteringen van
ondernemingen
O netto overheidsbestedingen B belastingen
S gezinsbesparingen E export
M import
𝑌=𝑊
- verschil tussen Y en W → primaire beloningen
- aan elkaar gelijkstellen als ze even groot zijn/ telt primaire beloningen niet mee
𝑊=𝐶+𝐼+𝑂+𝐸−𝑀
- (𝐶 + 𝐼 + 𝑂): nationale bestedingen