Celbiologie hoorcollege 1
Bouw en functie van de cel
o Inleiding (5 aspecten):
- Voorbeeldcellen: neuronen, spiercellen, trilhaarcellen
- Alle cellen hebben een andere bouw/vorm en functie
- # betekent: verschillende/verscheidene
- Stamcellen moedercellen voor verschillende cellen
- Epitheel: buitenste laag van de huid die “afsterft” en
geeft bescherming
- 23 paar chromosomen (DNA ligt hierin opgeslagen)
- Modificeren: aanpassen
- Manipuleren: veranderen
- Synthetische biologie: gebruik van biologische
processen voor het maken van nieuwe bruikbare producten
o Celkern (nucleus):
- Latijnse woorden kennen
- Poriën in het celkernmembraan
- Interfase: chromosoomvormen niet te zien
- Chromatiden: als chromosomen in bolletje bij elkaar
liggen
o Celorganellen:
- Mitochondrie: maakt ATP/energie door verbranding van
suiker en vet (ADP + P = ATP)
- Voor verbranding is O2 nodig
- Met ATP eiwitten maken, door membranen heen, spieren
aanspannen
- Ribosomen: produceren eiwitten
- Endoplasmatisch reticulum: verpakken van eiwitten en
brengen ze naar buiten
- Lysosoom(slaan eiwitverterende enzymen op):
afvalverwerkers ziekteverwekkers/breekt stoffen af
- Golgi-complex: verder bewerken van eiwitten, opslaan en
transporteren
- Assembleren: verpakken/samenpakken
- Exocytose: naar buiten
- Endocytose: naar binnen
- Enzym: eiwit katalysator (versnellen reactie)
o Celskelet:
- Is vezelskelet
- Celmembraan: plasmamembraan
- Functie celskelet: stevigheid en beweeglijkheid
(microfilamenten, microtubuli)
o Celmembraan:
- Bestaat uit twee lagen vetten/lipiden en poorten voor
transport
- Calix: kelk, glyco: suiker glycocalix aan
buitenkant: signalen doorgeven
- Transport: in en uit de cel passief en actief
transport
- Endocytose: altijd actief (kost ATP)
- Exocytose: actief (kost ATP)
o Soorten cellen:
- Eukaryoten: hebben een goede/echte kern
- Prokaryoten (bacteriën): geen mooie kern, hebben wel
celmembraan, ribosomen, DNA (ligt los in de cel),
, plasmiden (DNA waardoor bacteriën resistent kunnen
worden)
- Plantencel: celwand, bladgroenkorrels/chloroplasten,
vacuolen
- Chloroplasten behoren tot de plasTiden!
- Virus: gastheercel nodig en is geen organisme/niet-
levend
- Bacteriofaag: bacterie die op virus gaat zitten
o Stofwisseling:
- Kenmerk cel: omzetting van stoffen
- Organische stoffen: suikers, vetten, nucleïnezuren,
eiwitten
- Van Anorganisch naar Organisch met behulp van
chlorofyl/energie van zonlicht
Hoorcollege 2
Transcriptie en translatie
o DNA:
- Bestaat uit nucleotide en ziet eruit als helix
(spiraalvorm) en heeft 2 strengen
- Strengen van DNA ook wel polynucleotiden
- Nucleotide bestaat uit: suiker, fosfaat en stikstofbase
- Suikers verbonden met fosfaat en stikstofbase zit aan
de suiker
- Basen: Adenine, Thymine, Cytosine, Guanine (A-T, C-G)
- Verbindingen tussen basen: waterstofbruggen
- Volgorde van de basen bepaald erfelijke code (de
eigenheid van genetisch materiaal)
o DNA naar eiwit:
- 1. Genetische code van het DNA (in celkern)
- 2. DNA overgeschreven (transcriptie) via mRNA (in
celkern)
- 3. Aminozuren koppelen tot een eiwit (translatoie) (in
cytoplasma)
o Transcriptie:
- DNA overgeschreven naar mRNA (messenger RNA)
- RNA is enkelstrengs
- RNA heeft Uracil in plaats van Thymine
- RNA heeft een ander suiker
o Translatie:
- tRNA: transfer RNA (enkelstrengs), hierdoor kan
translatie plaatsvinden en speelt een belangrijke rol
in het koppelen van aminozuren tot een eiwit
- Proces aflezen van mRNA naar aminozuren
- mRNA legt zich langs ribosoom
- mRNA wordt per 3 afgelezen (codon)
- tRNA met bijpassende anticodon bijpassende
aminozuren
o DNA en genen:
- Volgorde aminozuren bepaalt structuur + eigenschappen
eiwitten
- Veel plekken op DNA waar niks zit
- Ieder mens heeft eigen DNA
- Patronen vergelijken met behulp van elektroforese
Bouw en functie van de cel
o Inleiding (5 aspecten):
- Voorbeeldcellen: neuronen, spiercellen, trilhaarcellen
- Alle cellen hebben een andere bouw/vorm en functie
- # betekent: verschillende/verscheidene
- Stamcellen moedercellen voor verschillende cellen
- Epitheel: buitenste laag van de huid die “afsterft” en
geeft bescherming
- 23 paar chromosomen (DNA ligt hierin opgeslagen)
- Modificeren: aanpassen
- Manipuleren: veranderen
- Synthetische biologie: gebruik van biologische
processen voor het maken van nieuwe bruikbare producten
o Celkern (nucleus):
- Latijnse woorden kennen
- Poriën in het celkernmembraan
- Interfase: chromosoomvormen niet te zien
- Chromatiden: als chromosomen in bolletje bij elkaar
liggen
o Celorganellen:
- Mitochondrie: maakt ATP/energie door verbranding van
suiker en vet (ADP + P = ATP)
- Voor verbranding is O2 nodig
- Met ATP eiwitten maken, door membranen heen, spieren
aanspannen
- Ribosomen: produceren eiwitten
- Endoplasmatisch reticulum: verpakken van eiwitten en
brengen ze naar buiten
- Lysosoom(slaan eiwitverterende enzymen op):
afvalverwerkers ziekteverwekkers/breekt stoffen af
- Golgi-complex: verder bewerken van eiwitten, opslaan en
transporteren
- Assembleren: verpakken/samenpakken
- Exocytose: naar buiten
- Endocytose: naar binnen
- Enzym: eiwit katalysator (versnellen reactie)
o Celskelet:
- Is vezelskelet
- Celmembraan: plasmamembraan
- Functie celskelet: stevigheid en beweeglijkheid
(microfilamenten, microtubuli)
o Celmembraan:
- Bestaat uit twee lagen vetten/lipiden en poorten voor
transport
- Calix: kelk, glyco: suiker glycocalix aan
buitenkant: signalen doorgeven
- Transport: in en uit de cel passief en actief
transport
- Endocytose: altijd actief (kost ATP)
- Exocytose: actief (kost ATP)
o Soorten cellen:
- Eukaryoten: hebben een goede/echte kern
- Prokaryoten (bacteriën): geen mooie kern, hebben wel
celmembraan, ribosomen, DNA (ligt los in de cel),
, plasmiden (DNA waardoor bacteriën resistent kunnen
worden)
- Plantencel: celwand, bladgroenkorrels/chloroplasten,
vacuolen
- Chloroplasten behoren tot de plasTiden!
- Virus: gastheercel nodig en is geen organisme/niet-
levend
- Bacteriofaag: bacterie die op virus gaat zitten
o Stofwisseling:
- Kenmerk cel: omzetting van stoffen
- Organische stoffen: suikers, vetten, nucleïnezuren,
eiwitten
- Van Anorganisch naar Organisch met behulp van
chlorofyl/energie van zonlicht
Hoorcollege 2
Transcriptie en translatie
o DNA:
- Bestaat uit nucleotide en ziet eruit als helix
(spiraalvorm) en heeft 2 strengen
- Strengen van DNA ook wel polynucleotiden
- Nucleotide bestaat uit: suiker, fosfaat en stikstofbase
- Suikers verbonden met fosfaat en stikstofbase zit aan
de suiker
- Basen: Adenine, Thymine, Cytosine, Guanine (A-T, C-G)
- Verbindingen tussen basen: waterstofbruggen
- Volgorde van de basen bepaald erfelijke code (de
eigenheid van genetisch materiaal)
o DNA naar eiwit:
- 1. Genetische code van het DNA (in celkern)
- 2. DNA overgeschreven (transcriptie) via mRNA (in
celkern)
- 3. Aminozuren koppelen tot een eiwit (translatoie) (in
cytoplasma)
o Transcriptie:
- DNA overgeschreven naar mRNA (messenger RNA)
- RNA is enkelstrengs
- RNA heeft Uracil in plaats van Thymine
- RNA heeft een ander suiker
o Translatie:
- tRNA: transfer RNA (enkelstrengs), hierdoor kan
translatie plaatsvinden en speelt een belangrijke rol
in het koppelen van aminozuren tot een eiwit
- Proces aflezen van mRNA naar aminozuren
- mRNA legt zich langs ribosoom
- mRNA wordt per 3 afgelezen (codon)
- tRNA met bijpassende anticodon bijpassende
aminozuren
o DNA en genen:
- Volgorde aminozuren bepaalt structuur + eigenschappen
eiwitten
- Veel plekken op DNA waar niks zit
- Ieder mens heeft eigen DNA
- Patronen vergelijken met behulp van elektroforese