HC 1
o Marketing gaat om waarde creëren
- Marketing = het centraal stellen van de klant en daarbij duurzame waarde voor
de klant creëren, doel: ruiltransacties bevorderen
- Waarde = baten of voordelen die een klant krijgt door goederen of diensten te
kopen
o Betrokken partijen
- Klanten/afnemers = degenen die product of dienst afnemen (hoeven niet
uiteindelijke consumenten te zijn)
- Consumenten = uiteindelijke gebruikers van een goed of dienst
- Stakeholders of belangenhebbenden = alle personen of organisatie die op een of
andere manier een belang hebben bij de productie of de verkoop van de
betreffende goederen of diensten
o Behoefte = door de consument onderkend verschil tussen de huidige toestand en een
ideale of gewenste toestand/probleem consument
o Voordelen/benefits = vormen voor consument aanleiding om product of dienst af te
nemen omdat daarmee zijn behoefte of wens wordt bevredigd
o Ruil = proces waardoor er een waardeoverdracht plaatsvindt tussen koper en
verkoper
o Marketing tot midden vorige eeuw
- Begin 20e tijdperk: productie-tijdperk
Productoriëntatie = nadruk op steeds verbeteren van de technische
kwaliteit van het product
Productieoriëntatie = nadruk op steeds efficiënter produceren en
distribueren van product
- Ca. 1930-1960: verkooptijdperk
Verkooporiëntatie = nadruk op verkoopfunctie/manier om product aan de
man te brengen en zo voorraden te verkleinen
o Hedendaagse marketing
- Ca. 1960-1990: consumententijdperk
Consumentenoriëntatie = nadruk op vinden van manieren om behoeften
en wensen van consumenten te bevredigen
Total Quality Management (TQM) = nadruk op continue
kwaliteitsverbetering
- Ca. 1990-heden: nieuwe tijdperk
Klantrelatiebeheer = nadruk op bouwen duurzame relaties met klanten;
aandacht unieke wensen en behoeften consumenten
Maatschappelijk verantwoord en duurzaam ondernemen = nadruk op
voordelen voor samenleving en duurzaamheidsaspecten
o Producten vs. Diensten
- Producten = tastbaar en concreet (beschikbaar op moment van aankoop)
- Diensten = niet-tastbaar en abstract (pas beschikbaar na aankoop)
- Mengvormen = combinatie producten en diensten (deels beschikbaar en deels
niet beschikbaar bij aankoop)
, o Marketingplanning
- Strategisch marketingplan = bepalen marketingdoelen
- Operationeel marketingplan = activiteitenplan hoe de marketingdoelen bereikt
zullen worden
Doelgroep: onderscheiden groep afnemers
Positionering: waardepropositie waarmee de organisatie of product zich
onderscheidt van de concurrenten
Marketingmix: 4 P’s (producten, prijs, plaats, promotie) om bij doelgroep
onder de aandacht te brengen
o Persona = representatief verbeelding van marketingdoelgroep
o Resumerend
- Marketing gaat over de klant centraal stellen, waarde creëren, behoefte
bevredigen en ruilrelaties duurzaam bevorderen
- Marketing heeft zich de afgelopen eeuw ontwikkeld van productgericht,
productiegericht via verkoopgericht tot klantgericht
- Marketing kun je toepassen op producten of diensten
- Marketing is een proces dat beschreven wordt in een strategisch en operationeel
marketingplan
- Uiteindelijk manifesteert marketing zich in een marketingmix van in elk geval de 4
P’s: prijs, product, plaats en promotie
- Persona’s zijn een representatieve verbeelding van de marketingdoelgroep
HC 2
o Consumentengedrag is een besluitvormingsproces dat individuen of groepen
doorlopen om beslissingen te maken
o Bewuste besluitvorming (uitgebreid probleemoplossend gedrag)
- Rationeel volgens stappenmodel
Probleem onderkennen
Informatie zoeken
Alternatieven evalueren
Een product kiezen
De koop evalueren
o Marketingstrategie = consumenten bewust maken van een ideale of gewenste
situatie die bereikt kan worden maar die nog niet bereikt is consumenten
informatie verschaffen op de juiste tijd en plaats product positioneren (gunstig
scoren op evaluatiecriteria) waar het zich positief onderscheidt van concurrerend
aanbod zorgen dat het product goed verkrijgbaar is voor de consument
verwachtingsmanagement, service en klantenprocedures
o Onbewuste besluitvorming (routinematig)
- Automatische, impulsieve of intuïtieve koopbeslissingen bij onbelangrijke,
weinig risicovolle, routinematige beslissingen
o Besluitvormingsproces
- Interne invloeden
Perceptie (informatie uit buitenwereld selecteren, ordenen)
Blootstelling (mate waarin iemands zintuigen stimulus waarnemen)
Aandacht