Algemene Economie
Geld en het economisch proces
Functies Kenmerken Gevolgen van hoge inflatie
Ruilmiddelfunctie Ongedifferentieerde koopkracht Terug naar goederenruil
(splitst ruil op in twee delen) Andere valuta neemt ruilmiddelfunctie
over (dollarisering)
Rekeneenheid Waardemaatstaf Prijzen gelden slechts voor een korte
(vermindering van aantal termijn
ruilvoeten)
Oppotmiddel Vermogensbestanddeel Kasgeld als vermogensbestandsdeel
(zuiver liquide; geen rendement) vermindert snel in waarde
Bedreigingen voor geld
Betrouwbaarheid van het financieel systeem solide banken
Beschikbaarheid en toegankelijkheid goed betalingsverkeer
Waardevastheid t.o.v. buitenlands geld stabiele wisselkoersen met het buitenland
Binnenlandse waardevastheid inflatie knaagt aan de koopkracht van het geld
Geldsoorten
Munten
o Nominale waarde: is vermeld op het geld
o Intrinsieke waarde: marktwaarde van het materiaal
o Monopolie bij overheid Koninklijke Nederlandse Munt
Bankbiljetten
o Chinezen weer het eerst rond de 8 e eeuw na christus
o Ontstaan van de bankiersfunctie
o Betreft fiduciair geld: waarde gebaseerd op vertrouwen in de balans van de
geldscheppende instelling
o Centrale bank geldscheppend
Giraal geld
o Banken geldscheppend
o Betaalinstrument: o.a. betaalpas, plastic geld
- Geldschepping
Liquiditeitenmassa
Belangrijk om de hoeveelheid geld in omloop in de gaten te houden de liquiditeitenmassa
ECB meet dit regelmatig door naar de balansen van de geldscheppende banken te kijken
Primaire liquiditeitenmassa (M1)
Secundaire liquiditeitenmassa
Binnenlandse liquiditeitenmassa (M3)
,Samenhang primaire- en secundaire liquiditeiten
Primaire liquiditeiten:
De munten die de overheid in omloop brengt
De bankbiljetten die de centrale bank in omloop brengt
Het girale geld dat de banken in omloop brengen
Primaire liquiditeitenmassa (M1): geld in handen van het publiek
Primair Secundair = Transformatie
Secundaire liquiditeitenmassa : vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen die het
publiek op korte termijn, massaal en zonder koersverlies kunnen omzetten in geld.
Ontstaat doordat bedrijven en gezinnen soms liquide middelen over hebben
Kortlopende termijndeposito’s (klanten lenen hun geld uit aan bank voor vaste tijd)
Kort spaargeld
Binnenlandse liquiditeitenmassa (M3): som van M1 en secundaire liquiditeitenmassa
Tertiaire liquiditeiten: waardepapieren, langlopende termijndeposito’s en lang spaargeld
Bruto geldscheppend bedrijf: totale kredietverlening aan de private sector en de overheid
Banken financieren een deel van de kredietverlening met middelen die zij voor een termijn langer
dan twee jaar van het publiek aantrekken, zoals lang spaargeld en lange termijndeposito’s.
Bruto geldscheppend bedrijf -/- lange aangetrokken middelen = netto geldscheppend bedrijf
Geldscheppend: Algemene banken, Centrale bank
Niet geldscheppend: Hypotheekbanken, Pensioenfondsen, Verzekering/beleggingsmaatschappijen
, Binnenlandse liquiditeitenmassa (BLM) (M3) berekenen
Bankbiljetten in omloop 30
Crediteuren in rek cour. 75
Munten 5+
Primaire liquiditeiten 110
Kasmiddelen van de bank 20 -/-
Primaire liquiditeitenmassa 90 (M1)
Termijndeposito’s 85
Kort spaargeld 100 +
Secundaire liquiditeitenmassa 185
Primaire liquiditeitenmassa 90
Secundaire liquiditeitenmassa 185 +
Binnenlandse liquiditeitenmassa 275 (M3)
Bankbalans en bedrijfseconomische aspecten
Geld en het economisch proces
Functies Kenmerken Gevolgen van hoge inflatie
Ruilmiddelfunctie Ongedifferentieerde koopkracht Terug naar goederenruil
(splitst ruil op in twee delen) Andere valuta neemt ruilmiddelfunctie
over (dollarisering)
Rekeneenheid Waardemaatstaf Prijzen gelden slechts voor een korte
(vermindering van aantal termijn
ruilvoeten)
Oppotmiddel Vermogensbestanddeel Kasgeld als vermogensbestandsdeel
(zuiver liquide; geen rendement) vermindert snel in waarde
Bedreigingen voor geld
Betrouwbaarheid van het financieel systeem solide banken
Beschikbaarheid en toegankelijkheid goed betalingsverkeer
Waardevastheid t.o.v. buitenlands geld stabiele wisselkoersen met het buitenland
Binnenlandse waardevastheid inflatie knaagt aan de koopkracht van het geld
Geldsoorten
Munten
o Nominale waarde: is vermeld op het geld
o Intrinsieke waarde: marktwaarde van het materiaal
o Monopolie bij overheid Koninklijke Nederlandse Munt
Bankbiljetten
o Chinezen weer het eerst rond de 8 e eeuw na christus
o Ontstaan van de bankiersfunctie
o Betreft fiduciair geld: waarde gebaseerd op vertrouwen in de balans van de
geldscheppende instelling
o Centrale bank geldscheppend
Giraal geld
o Banken geldscheppend
o Betaalinstrument: o.a. betaalpas, plastic geld
- Geldschepping
Liquiditeitenmassa
Belangrijk om de hoeveelheid geld in omloop in de gaten te houden de liquiditeitenmassa
ECB meet dit regelmatig door naar de balansen van de geldscheppende banken te kijken
Primaire liquiditeitenmassa (M1)
Secundaire liquiditeitenmassa
Binnenlandse liquiditeitenmassa (M3)
,Samenhang primaire- en secundaire liquiditeiten
Primaire liquiditeiten:
De munten die de overheid in omloop brengt
De bankbiljetten die de centrale bank in omloop brengt
Het girale geld dat de banken in omloop brengen
Primaire liquiditeitenmassa (M1): geld in handen van het publiek
Primair Secundair = Transformatie
Secundaire liquiditeitenmassa : vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen die het
publiek op korte termijn, massaal en zonder koersverlies kunnen omzetten in geld.
Ontstaat doordat bedrijven en gezinnen soms liquide middelen over hebben
Kortlopende termijndeposito’s (klanten lenen hun geld uit aan bank voor vaste tijd)
Kort spaargeld
Binnenlandse liquiditeitenmassa (M3): som van M1 en secundaire liquiditeitenmassa
Tertiaire liquiditeiten: waardepapieren, langlopende termijndeposito’s en lang spaargeld
Bruto geldscheppend bedrijf: totale kredietverlening aan de private sector en de overheid
Banken financieren een deel van de kredietverlening met middelen die zij voor een termijn langer
dan twee jaar van het publiek aantrekken, zoals lang spaargeld en lange termijndeposito’s.
Bruto geldscheppend bedrijf -/- lange aangetrokken middelen = netto geldscheppend bedrijf
Geldscheppend: Algemene banken, Centrale bank
Niet geldscheppend: Hypotheekbanken, Pensioenfondsen, Verzekering/beleggingsmaatschappijen
, Binnenlandse liquiditeitenmassa (BLM) (M3) berekenen
Bankbiljetten in omloop 30
Crediteuren in rek cour. 75
Munten 5+
Primaire liquiditeiten 110
Kasmiddelen van de bank 20 -/-
Primaire liquiditeitenmassa 90 (M1)
Termijndeposito’s 85
Kort spaargeld 100 +
Secundaire liquiditeitenmassa 185
Primaire liquiditeitenmassa 90
Secundaire liquiditeitenmassa 185 +
Binnenlandse liquiditeitenmassa 275 (M3)
Bankbalans en bedrijfseconomische aspecten