Kerntaak 1:
Anatomie, fysiologie en pathologie
Werkgroep 1
Kennisclip 1: voedingsstoffen en hun functies
Voedingsstoffen zijn de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
6 groepen:
- Eiwitten
- Koolhydraten
- Vetten
- Water
- Mineralen
- Vitaminen
Met als functie de bouwstoffen en brandstoffen
Voedingsvezel: stoffen uit plantaardig voedsel; niet door mens verteerbaar. Bevorderen
darmwerking
Eiwitten (proteinen)
Functie: vooral bouwstoffen, ook transport van stoffen, cel communicatie en als enzymen
Teveel opgenomen? Brandstof!
Essentiele aminozuren
Kan het lichaam niet of onvoldoende vormen
Moeten in voedsel aanwezig zijn
Koolhydraten (suikers)
Functie: vooral brandstoffen
Ook bouwstof (DNA, celmembraan)
Teveel opgenomen? Opgeslagen als glycogeen of vet
Vetten (lipiden)
Functie: vooral brandstoffen
Ook bouwstoffen (fosfolipiden in membranen)
Teveel opgenomen? Opgeslagen onder de huid/rondom de organen
Essentiele vetzuren: moeten in voedsel aanwezig zijn
Verzadigde vetzuren (vooral dierlijke vetten) verhogen risico op cholesterol
Onverzadigde vetzuren (plantaardige vetten) verlagen cholesterol
Water
Functie: bouwstof (in lichaamscellen)
Oplosmiddel, transportmiddel, bepaalt osmotische waarde
Organismen bestaat voor het grootste deel uit water
, Mineralen (zouten)
Functie: bouwstoffen (ca)
Spoorelementen: kleine hoeveelheden van een mineraal in voedsel
Vaak bestanddeel van enzym of hormoon (fe)
Vitaminen
Functie: bouwstoffen
O.a bestanddeel van enzymen
Tekort én overschut aan vitamine is schadelijk
Vitaminen en pro-vitaminen zijn essentieel
Vitamine K kan in het lichaam gevormd worden
Kennisclip 2: ligging van de organen
De spijsvertering is eigenlijk een lang kanaal van mond tot endeldarm. Organen die uitkomen op dit
kanaal zijn de lever met de galblaas en de alvleesklier. Aan het eind worden de verteringsproducten
en bloed en lymfe opgenomen en de onverteerde en niet verteerbare voedselresten uitgescheiden.
Mondholte/ cavum oris
Keelholte/ pharynx
Slokdarm/ oesophagus
Maag/ gaster of ventriculus
Dunne darm, twaalfvingerige darm = duodenum, nuchtere en kronkeldarm
Dikke darm/ colon
Lever/ hepar
Galblaas/ visica fellae
Alvleesklier/ pancreas
In je mond kauw je het voedsel tot kleine stukjes. De speekselklieren scheiden het enzym amylase af:
een stof die zorgt voor de eerste vertering van zetmeel in het voedsel. Het speeksel zorgt er ook voor
dat het voedsel smeuig wordt. Het vermalen eten wordt doorgeslikt en gaat via de slokdarm naar de
maag. Daar wordt het voedsel gekneed en vermengt met maagzuur. Het maagzuur zorgt met name
voor de vertering van eiwitten. In kleine porties gaat de voedselbrij dan naar het bovenste deel van
de dunne darm: de twaalfvingerige darm. In dit deel van de darm komen via twee wegen
spijsverteringssappen bij het voedsel. De lever produceert gal. Dit wordt opgeslagen in de galblaas en
vandaar in de twaalfvingerige darm vrijgegeven voor de vertering van vetten. De alvleesklier scheidt
stoffen af die in de twaalfvingerige darm helpen bij de vertering van koolhydraten, eiwitten en
vetten. De vloeibare voedselbrij daalt vervolgens verder af in de dunne darm. Dit is het langste deel
van het spijsverteringskanaal: zo’n vijf meter dunne darm ligt opgevouwen in de buikholte. De
spieren in de darmwand zorgen voor een stuwende beweging: de darmperistaltiek. Daardoor wordt
het voedsel voortbewogen. De motoriek van het maag-darmkanaal zorgt ook voor een goede
menging van de voedingsstoffen met de spijsverteringssappen. De verteerde voedingsstoffen worden
door de darmwand opgenomen in het bloed. De overgebleven voedselresten verplaatsen zich
vervolgens verder naar de dikke darm. De massa is nu nog heel dun. Het overtollige water gaat door
de darmwand het bloed in, zodat de brij indikt. Wat overblijft is afval en kan worden afgevoerd. De
Anatomie, fysiologie en pathologie
Werkgroep 1
Kennisclip 1: voedingsstoffen en hun functies
Voedingsstoffen zijn de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
6 groepen:
- Eiwitten
- Koolhydraten
- Vetten
- Water
- Mineralen
- Vitaminen
Met als functie de bouwstoffen en brandstoffen
Voedingsvezel: stoffen uit plantaardig voedsel; niet door mens verteerbaar. Bevorderen
darmwerking
Eiwitten (proteinen)
Functie: vooral bouwstoffen, ook transport van stoffen, cel communicatie en als enzymen
Teveel opgenomen? Brandstof!
Essentiele aminozuren
Kan het lichaam niet of onvoldoende vormen
Moeten in voedsel aanwezig zijn
Koolhydraten (suikers)
Functie: vooral brandstoffen
Ook bouwstof (DNA, celmembraan)
Teveel opgenomen? Opgeslagen als glycogeen of vet
Vetten (lipiden)
Functie: vooral brandstoffen
Ook bouwstoffen (fosfolipiden in membranen)
Teveel opgenomen? Opgeslagen onder de huid/rondom de organen
Essentiele vetzuren: moeten in voedsel aanwezig zijn
Verzadigde vetzuren (vooral dierlijke vetten) verhogen risico op cholesterol
Onverzadigde vetzuren (plantaardige vetten) verlagen cholesterol
Water
Functie: bouwstof (in lichaamscellen)
Oplosmiddel, transportmiddel, bepaalt osmotische waarde
Organismen bestaat voor het grootste deel uit water
, Mineralen (zouten)
Functie: bouwstoffen (ca)
Spoorelementen: kleine hoeveelheden van een mineraal in voedsel
Vaak bestanddeel van enzym of hormoon (fe)
Vitaminen
Functie: bouwstoffen
O.a bestanddeel van enzymen
Tekort én overschut aan vitamine is schadelijk
Vitaminen en pro-vitaminen zijn essentieel
Vitamine K kan in het lichaam gevormd worden
Kennisclip 2: ligging van de organen
De spijsvertering is eigenlijk een lang kanaal van mond tot endeldarm. Organen die uitkomen op dit
kanaal zijn de lever met de galblaas en de alvleesklier. Aan het eind worden de verteringsproducten
en bloed en lymfe opgenomen en de onverteerde en niet verteerbare voedselresten uitgescheiden.
Mondholte/ cavum oris
Keelholte/ pharynx
Slokdarm/ oesophagus
Maag/ gaster of ventriculus
Dunne darm, twaalfvingerige darm = duodenum, nuchtere en kronkeldarm
Dikke darm/ colon
Lever/ hepar
Galblaas/ visica fellae
Alvleesklier/ pancreas
In je mond kauw je het voedsel tot kleine stukjes. De speekselklieren scheiden het enzym amylase af:
een stof die zorgt voor de eerste vertering van zetmeel in het voedsel. Het speeksel zorgt er ook voor
dat het voedsel smeuig wordt. Het vermalen eten wordt doorgeslikt en gaat via de slokdarm naar de
maag. Daar wordt het voedsel gekneed en vermengt met maagzuur. Het maagzuur zorgt met name
voor de vertering van eiwitten. In kleine porties gaat de voedselbrij dan naar het bovenste deel van
de dunne darm: de twaalfvingerige darm. In dit deel van de darm komen via twee wegen
spijsverteringssappen bij het voedsel. De lever produceert gal. Dit wordt opgeslagen in de galblaas en
vandaar in de twaalfvingerige darm vrijgegeven voor de vertering van vetten. De alvleesklier scheidt
stoffen af die in de twaalfvingerige darm helpen bij de vertering van koolhydraten, eiwitten en
vetten. De vloeibare voedselbrij daalt vervolgens verder af in de dunne darm. Dit is het langste deel
van het spijsverteringskanaal: zo’n vijf meter dunne darm ligt opgevouwen in de buikholte. De
spieren in de darmwand zorgen voor een stuwende beweging: de darmperistaltiek. Daardoor wordt
het voedsel voortbewogen. De motoriek van het maag-darmkanaal zorgt ook voor een goede
menging van de voedingsstoffen met de spijsverteringssappen. De verteerde voedingsstoffen worden
door de darmwand opgenomen in het bloed. De overgebleven voedselresten verplaatsen zich
vervolgens verder naar de dikke darm. De massa is nu nog heel dun. Het overtollige water gaat door
de darmwand het bloed in, zodat de brij indikt. Wat overblijft is afval en kan worden afgevoerd. De