• Kwalitatief onderzoek → Teksten analyseren.
• Inductie → Allerlei waarnemingen doen en die vergelijken op basis daarvan
een algemeen patroon komen. Door empirische waarnemingen een algeme
uitspraak doen.
• Deductie → Uit een theorie een hypothese afleiden en deze toetsen.
• Abductie → Een wisselwerking tussen data en modellen; bijv. de ontwikkelin
van hoe hemellichamen zich bewegen om de zon, iedereen heeft hierover d
verzameld. Een model maken die overeenkomt met de patronen in de data.
• Systeem dynamica → Je maakt een model zo dat je ontwikkelen van de
afgelopen jaren kunt nabootsen. Je maakt een model waarmee je de
ontwikkelingen kunt zien die passen bij de data. (Voorbeeld: Als je aan de e
knop draait zie je precies wat er met de rest gebeurd)
,• Interne validiteit is afhankelijk van:
• Begripsvaliditeit → Geeft aan in hoeverre het instrument datgene meet wat beoogd w
meten.
• Inhoudsvaliditeit → De mate waarin de aspecten van het te meten begrip volledig gem
worden met je onderzoeksinstrument. Ook wel: dekking.
• Criteriumvaliditeit → De samenhang tussen twee testresultaten; het verwijst naar de
overeenkomst tussen jouw meting en een andere meting.
• Onderzoekseenheid → De groep die wordt gerepresenteerd.
• Waarnemingseenheid → De groep waarbij informatie wordt ontvangen.
• Inter-kwartielrange → De middelste 50%
• Theoretische definitie → Iets wat in het algemeen onder het begrip wordt ver
• Operationele definitie → Wijst op waarneembare aspecten, concrete definier
• Stipulatieve definitie → Wanneer er geen goede definitie is voor een bepaald
dan kun je zelf een definitie toepassen: ‘in dit onderzoek verstaan wij onder…
,
, • Taxonomie → Begrippen onderverdelen in bepaalde categorieën.
• Individuele begrippen → Verwijzen naar een bepaald voorwerp of object
• Universele begrippen → Verwijzen naar een klasse van objecten.
• A-select → Iedereen in de populatie heeft een gelijke kans om mee te doen.
Noodzakelijke voorwaarde, maar nog niet voldoende.
• Select → Niet iedereen gelijke kans. Ten koste van representativiteit.
• Externe validiteit → Is het representatief voor de onderzoekseenheid?
• Interne validiteit → Meet ik wat ik wil meten?
• Betrouwbaarheid → Als je het onderzoek herhaalt, kom je dan tot dezelfde
uitkomsten?
• Intercodeurs-betrouwbaarheid → Meerdere onderzoekers op hetzelfde mom
laten kijken naar een onderzoek, op hetzelfde moment een interpretatie laten
doen en kijken of ze tot dezelfde conclusies komen.