GEZINSPEDAGOGIEK SAMENVATTING
COLLEGE 1
AANTEKENINGEN HET GEZIN IN EVOLUTIONAIR PERSPECTIEF
Het fenotype en de rol van het gezin
De gedragsgenetica schat de grootte van de invloeden van genen en omgeving op het fenotype.
➔ Het fenotype wordt gevormd door genen (G), de unieke omgeving (E) en de gedeelde omgeving (C).
- Er is sprake van een correlatie tussen genen en omgeving:
1. Een kind kiest een omgeving die bij het kind past.
2. De omgeving kan de uitkomst van een gen versterken.
3. De genen van een kind roepen reacties in de omgeving op.
4. Er is sprake van sociale interactie met genetisch verwante personen.
- Differentiële ontvankelijkheid houdt in dat kinderen verschillen in hun gevoeligheid of
ontvankelijkheid voor invloeden uit de omgeving, dit is genetisch bepaald.
- Gevoelige kinderen zijn als orchideeën: kwetsbaar voor hardvochtige omstandigheden, maar
ze kunnen prachtig bloeien als ze de juiste zorg krijgen.
- Minder gevoelige kinderen zijn als paardenbloemen: veerkrachtig en in staat over te groeien,
maar ze reageren minder sterk op de omgeving.
➔ Er is sprake van interactie tussen genen en omgeving (GxO).
Differentiële ontvankelijkheidmodel
Baby: “Hoe overleef ik …”
Binnen de gezinspedagogiek wordt gedrag bekeken vanuit een evolutionair perspectief: gezinspedagogen
kijken naar het gedrag van apen en naar het gedrag van mensen:
1. Apen zijn sociaal, maar mensen zijn ultra sociaal (samenwerken, helpen en geven).
2. Het grootste verschil tussen apen en mensen is dat mensen experts zijn in mind reading.
- De Machiavellian intelligence hypothesis stelt dat mensen gebruik maken van inside
information (weten wat een ander weet) waardoor zij goed zijn in mind reading.
➔ Dit is zichtbaar als mensen iemand de schuld geven of vergeven, liegen, bondjes
sluiten, beloftes maken of verbreken, regels maken of overtreden en bij misleiding.
De environment of evolutionary adaptedness (EEA) is het geheel van omgevingsfactoren waarin de
voorouders van een soort leefden en waaraan ze, na een lang proces van adaptaties en natuurlijke selectie,
aangepast waren.
- Verschillende onderzoekers hebben uitspraken gedaan die gerelateerd zijn aan EEA:
1. Bowlby stelde dat de nabijheid van de moeder essentieel is.
2. Hardy zei dat het overleven van een kind afhankelijk is van het kind, de moeder en anderen.
3. Lorenz stelde dat kinderen gemaakt worden om schattig gevonden te worden zodat
volwassenen voor hen zorgen.
- Uit het idee van EEA is de evolutionaire theorie ontstaan, deze stelt dat kinderen afhankelijk van
meerdere verzorgers en natuurlijke selectie in het lezen van andermans mentale staat, opgroeien.
,Is ‘het gezin’ er altijd geweest?
Volgens Hardy zijn er twee theorieën die niet kloppen:
1. The hunting hypothesis waarbij ervan uit wordt gegaan dat mannen gingen jagen en de vrouwen
thuis bleven en eten maakten.
2. The sex contract waarbij ervan uit wordt gegaan dat een vrouw bij één man hoorde en dat haar man
zorgde voor eten voor haar en de kinderen.
Deze theorieën kloppen volgens Hardy niet om dat mensen meer eten dan wat mannen kunnen jagen,
vrouwen verzamelden dus kleinere dieren en bessen.
- Er waren alloparents nodig omdat vrouwen niet tegelijk voedsel konden verzamelen en voor hun
kinderen konden zorgen.
➔ Cooperative breeding houdt in dat groepsleden, ook wel alloparents genoemd, helpen om
kinderen van andere mensen groot te brengen.
- Hardy zegt dat deze groepsleden (ook mannen) eigenlijk allomothers genoemd moeten
worden omdat vaak niet zeker was wie de biologische vader was.
- De mate van altruïsme van de allomothers kan verklaard worden door Hamilton’s rule:
de kosten van het zorgen voor de kinderen staat in relatie met de mate van relatedness
van de allomother, dus relatedness (r) x benefits (B) > costs (C).
- Inclusive fitness kan hieraan gekoppeld worden, dit is het helpen van naaste
verwanten met hun kinderen om het eigen genotype door te kunnen geven.
➔ Hamilton’s rule is aangepast aan de situatie van allomothers: vind kinderen
schattig en help ze als je kan, zolang het geen nadelen heeft voor je eigen
kinderen en zolang het niet onbetaalbaar.
Het kerngezin met een vader, moeder en kinderen, wordt als een ideaal voorbeeld voor gezinnen gezien.
- Kinderen uit een kerngezin doen het beter dan kinderen die niet uit een kerngezin komen.
- Opgroeien zonder vader resultaat in een grotere kans op gedragsproblemen, jonger zwanger raken,
werkeloosheid, gevangenisstraf en het volgen van een lagere opleiding.
➔ Deze gevolgen kunnen ook gekoppeld worden aan het missen van alloparents.
- Het integration model stelt dat het het beste is voor een kind om drie goede relaties te
hebben die bereid zijn om voor het kind te zorgen.
, COLLEGE 2
OPGROEIEN IN HET HEDENDAAGSE GEZIN HOOFDSTUK 2 – HET GEZIN IN HISTORISCH PERSPECTIEF
2.2 – Gezinshistorische benaderingen en gebruik van historische bronnen
Binnen onderzoek naar de geschiedenis van het gezin wordt er gebruik gemaakt van drie benaderingen:
1. Demografische/tellende benadering waarbij kwantitatieve, demografische gegevens verzameld en
geïnterpreteerd worden, hiermee wordt er een beeld gevormd van een gezin.
- Er worden seriële bronnen gebruikt, dit zijn met vaste regelmaat opgestelde cijferreeksen.
2. Affectieve/vertellende benadering waarbij de nadruk ligt op menselijk gedrag en persoonlijke
belevingen en motieven door kwalitatieve bronnen te gebruiken.
➔ Culturele filters zijn een gevaar voor deze benadering: niet elke groep binnen een cultuur
heeft kwalitatieve bronnen (niet elke groep in Nederland schreef vroeger dagboeken).
3. Historische maatschappijwetenschappen waarbij de focus ligt op de invloed van sociaal
economische, cultureel-maatschappelijke en technologische ontwikkelingen op veranderingen in
het gezin door wetgeving, erfrecht en gezags- en eigendomsverhoudingen te bestuderen.
2.3 – Pedagogische stromingen: humanisme, Verlichting en romantiek
Er zijn drie stromingen die de meeste invloed hebben gehad op de pedagogiek:
1. Humanisme dat zich kenmerkt door een individualistische benadering en een nadruk op leren.
- Het doel van het humanisme was het vormen van een universeel mens.
- De humanisten gingen uit van de vrijheid van de menselijke wil.
- Erasmus speelde een belangrijke rol binnen het humanisme: hij hechtte waarde aan goed
onderwijs en hij geloofde in het natuurlijk verlangen van kinderen naar kennis.
2. Verlichting waarbij ervan uitgegaan werd dat de mens van nature goed is.
- De Verlichting ging uit van de menselijke rede als criterium bij het zoeken naar de waarheid.
- Het doel van de opvoeding was het verwerven van vrijheid en zelfbesturing.
- Locke kan gezien worden als vertegenwoordiger van de Verlichting: hij bracht een bijdrage
aan de opvoeding met zijn werk ‘Some thoughts concerning education’ waarin lichamelijke
ontwikkeling en hygiënische verzorging centraal staan.
➔ Kinderen werden geboren als een tabula rasa, dus welgemanierdheid moest
aangeleerd worden.
3. Romantiek waarbij de nadruk ligt op gevoel waarmee het een tegenhanger van de Verlichting is.
- Rousseau was een voorstander van de romantiek: hij benadrukte het kind op zich en niet
alleen het kind die zich als volwassene moet ontwikkelen.
- Er kan weinig invloed uitgeoefend worden op de opvoeding omdat de opvoeding van
binnenuit gaat.
2.4 – Invloed van Locke en Rousseau op opvoeding en gezinsleven
De nieuwe opvoedingsideeën van Locke en Rousseau (zie H2.3) werden niet gelijk opgenomen in de
maatschappij omdat de traditionele opvoedingsideeën van generatie op generatie doorgegeven werden.
➔ In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderden de ouder-kind relaties vanuit de stedelijke
middenklasse: de intellectuele en emotionele ontwikkeling van het kind werden belangrijk en
moeders kregen een grotere rol in de opvoeding.
➔ Met het reguleren van kinderarbeid en de invoering van de leerplichtwet, verspreidde deze
nieuwe opvoedingsideeën zich ook onder de lagere klassen.
COLLEGE 1
AANTEKENINGEN HET GEZIN IN EVOLUTIONAIR PERSPECTIEF
Het fenotype en de rol van het gezin
De gedragsgenetica schat de grootte van de invloeden van genen en omgeving op het fenotype.
➔ Het fenotype wordt gevormd door genen (G), de unieke omgeving (E) en de gedeelde omgeving (C).
- Er is sprake van een correlatie tussen genen en omgeving:
1. Een kind kiest een omgeving die bij het kind past.
2. De omgeving kan de uitkomst van een gen versterken.
3. De genen van een kind roepen reacties in de omgeving op.
4. Er is sprake van sociale interactie met genetisch verwante personen.
- Differentiële ontvankelijkheid houdt in dat kinderen verschillen in hun gevoeligheid of
ontvankelijkheid voor invloeden uit de omgeving, dit is genetisch bepaald.
- Gevoelige kinderen zijn als orchideeën: kwetsbaar voor hardvochtige omstandigheden, maar
ze kunnen prachtig bloeien als ze de juiste zorg krijgen.
- Minder gevoelige kinderen zijn als paardenbloemen: veerkrachtig en in staat over te groeien,
maar ze reageren minder sterk op de omgeving.
➔ Er is sprake van interactie tussen genen en omgeving (GxO).
Differentiële ontvankelijkheidmodel
Baby: “Hoe overleef ik …”
Binnen de gezinspedagogiek wordt gedrag bekeken vanuit een evolutionair perspectief: gezinspedagogen
kijken naar het gedrag van apen en naar het gedrag van mensen:
1. Apen zijn sociaal, maar mensen zijn ultra sociaal (samenwerken, helpen en geven).
2. Het grootste verschil tussen apen en mensen is dat mensen experts zijn in mind reading.
- De Machiavellian intelligence hypothesis stelt dat mensen gebruik maken van inside
information (weten wat een ander weet) waardoor zij goed zijn in mind reading.
➔ Dit is zichtbaar als mensen iemand de schuld geven of vergeven, liegen, bondjes
sluiten, beloftes maken of verbreken, regels maken of overtreden en bij misleiding.
De environment of evolutionary adaptedness (EEA) is het geheel van omgevingsfactoren waarin de
voorouders van een soort leefden en waaraan ze, na een lang proces van adaptaties en natuurlijke selectie,
aangepast waren.
- Verschillende onderzoekers hebben uitspraken gedaan die gerelateerd zijn aan EEA:
1. Bowlby stelde dat de nabijheid van de moeder essentieel is.
2. Hardy zei dat het overleven van een kind afhankelijk is van het kind, de moeder en anderen.
3. Lorenz stelde dat kinderen gemaakt worden om schattig gevonden te worden zodat
volwassenen voor hen zorgen.
- Uit het idee van EEA is de evolutionaire theorie ontstaan, deze stelt dat kinderen afhankelijk van
meerdere verzorgers en natuurlijke selectie in het lezen van andermans mentale staat, opgroeien.
,Is ‘het gezin’ er altijd geweest?
Volgens Hardy zijn er twee theorieën die niet kloppen:
1. The hunting hypothesis waarbij ervan uit wordt gegaan dat mannen gingen jagen en de vrouwen
thuis bleven en eten maakten.
2. The sex contract waarbij ervan uit wordt gegaan dat een vrouw bij één man hoorde en dat haar man
zorgde voor eten voor haar en de kinderen.
Deze theorieën kloppen volgens Hardy niet om dat mensen meer eten dan wat mannen kunnen jagen,
vrouwen verzamelden dus kleinere dieren en bessen.
- Er waren alloparents nodig omdat vrouwen niet tegelijk voedsel konden verzamelen en voor hun
kinderen konden zorgen.
➔ Cooperative breeding houdt in dat groepsleden, ook wel alloparents genoemd, helpen om
kinderen van andere mensen groot te brengen.
- Hardy zegt dat deze groepsleden (ook mannen) eigenlijk allomothers genoemd moeten
worden omdat vaak niet zeker was wie de biologische vader was.
- De mate van altruïsme van de allomothers kan verklaard worden door Hamilton’s rule:
de kosten van het zorgen voor de kinderen staat in relatie met de mate van relatedness
van de allomother, dus relatedness (r) x benefits (B) > costs (C).
- Inclusive fitness kan hieraan gekoppeld worden, dit is het helpen van naaste
verwanten met hun kinderen om het eigen genotype door te kunnen geven.
➔ Hamilton’s rule is aangepast aan de situatie van allomothers: vind kinderen
schattig en help ze als je kan, zolang het geen nadelen heeft voor je eigen
kinderen en zolang het niet onbetaalbaar.
Het kerngezin met een vader, moeder en kinderen, wordt als een ideaal voorbeeld voor gezinnen gezien.
- Kinderen uit een kerngezin doen het beter dan kinderen die niet uit een kerngezin komen.
- Opgroeien zonder vader resultaat in een grotere kans op gedragsproblemen, jonger zwanger raken,
werkeloosheid, gevangenisstraf en het volgen van een lagere opleiding.
➔ Deze gevolgen kunnen ook gekoppeld worden aan het missen van alloparents.
- Het integration model stelt dat het het beste is voor een kind om drie goede relaties te
hebben die bereid zijn om voor het kind te zorgen.
, COLLEGE 2
OPGROEIEN IN HET HEDENDAAGSE GEZIN HOOFDSTUK 2 – HET GEZIN IN HISTORISCH PERSPECTIEF
2.2 – Gezinshistorische benaderingen en gebruik van historische bronnen
Binnen onderzoek naar de geschiedenis van het gezin wordt er gebruik gemaakt van drie benaderingen:
1. Demografische/tellende benadering waarbij kwantitatieve, demografische gegevens verzameld en
geïnterpreteerd worden, hiermee wordt er een beeld gevormd van een gezin.
- Er worden seriële bronnen gebruikt, dit zijn met vaste regelmaat opgestelde cijferreeksen.
2. Affectieve/vertellende benadering waarbij de nadruk ligt op menselijk gedrag en persoonlijke
belevingen en motieven door kwalitatieve bronnen te gebruiken.
➔ Culturele filters zijn een gevaar voor deze benadering: niet elke groep binnen een cultuur
heeft kwalitatieve bronnen (niet elke groep in Nederland schreef vroeger dagboeken).
3. Historische maatschappijwetenschappen waarbij de focus ligt op de invloed van sociaal
economische, cultureel-maatschappelijke en technologische ontwikkelingen op veranderingen in
het gezin door wetgeving, erfrecht en gezags- en eigendomsverhoudingen te bestuderen.
2.3 – Pedagogische stromingen: humanisme, Verlichting en romantiek
Er zijn drie stromingen die de meeste invloed hebben gehad op de pedagogiek:
1. Humanisme dat zich kenmerkt door een individualistische benadering en een nadruk op leren.
- Het doel van het humanisme was het vormen van een universeel mens.
- De humanisten gingen uit van de vrijheid van de menselijke wil.
- Erasmus speelde een belangrijke rol binnen het humanisme: hij hechtte waarde aan goed
onderwijs en hij geloofde in het natuurlijk verlangen van kinderen naar kennis.
2. Verlichting waarbij ervan uitgegaan werd dat de mens van nature goed is.
- De Verlichting ging uit van de menselijke rede als criterium bij het zoeken naar de waarheid.
- Het doel van de opvoeding was het verwerven van vrijheid en zelfbesturing.
- Locke kan gezien worden als vertegenwoordiger van de Verlichting: hij bracht een bijdrage
aan de opvoeding met zijn werk ‘Some thoughts concerning education’ waarin lichamelijke
ontwikkeling en hygiënische verzorging centraal staan.
➔ Kinderen werden geboren als een tabula rasa, dus welgemanierdheid moest
aangeleerd worden.
3. Romantiek waarbij de nadruk ligt op gevoel waarmee het een tegenhanger van de Verlichting is.
- Rousseau was een voorstander van de romantiek: hij benadrukte het kind op zich en niet
alleen het kind die zich als volwassene moet ontwikkelen.
- Er kan weinig invloed uitgeoefend worden op de opvoeding omdat de opvoeding van
binnenuit gaat.
2.4 – Invloed van Locke en Rousseau op opvoeding en gezinsleven
De nieuwe opvoedingsideeën van Locke en Rousseau (zie H2.3) werden niet gelijk opgenomen in de
maatschappij omdat de traditionele opvoedingsideeën van generatie op generatie doorgegeven werden.
➔ In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderden de ouder-kind relaties vanuit de stedelijke
middenklasse: de intellectuele en emotionele ontwikkeling van het kind werden belangrijk en
moeders kregen een grotere rol in de opvoeding.
➔ Met het reguleren van kinderarbeid en de invoering van de leerplichtwet, verspreidde deze
nieuwe opvoedingsideeën zich ook onder de lagere klassen.