Piaget
Piaget: algemene principes cognitieve ontwikkeling
Hoe leert een baby de wereld kennen, begrijpen?
Schema: manier waarop baby kennis en inzicht over object creëert.
Adaptatie: ten grondslag aan groei van schema’s (aanpassen aan de omgeving, bestaat uit):
Assimilatie
Evenwicht
Accommodatie
Preoperationele stadium
Uiterlijke kenmerken zijn bepalend (centratie)
Ze leren conservatie (basis blijft ’t zelfde bij veranderend uiterlijk)
De wereld draait om hun (egocentrisme)
Fantasiewereld ontstaat (symboolgebruik, magisch denken):
Verklaringen worden verzonnen (intuitief denken)
Ontstaan van theory of mind
Preoperationeel en zelf ziek zijn
Begrip van ziek zijn:
Niet echt logisch
Egocentrisch
Denkbeelden over ziekte zijn vaag, bijgeloof en angst
Eindigheid van de dood bevatten ze nog niet
Ik ben ziek omdat.. papa boos was, ik iets heb laten vallen”… (een straf om in het
ziekenhuis te zijn)
Bezig met kenmerken van de ziekte die je kunt zien: dus graag een pleister, verband,
ook al is het niet nodig.
Gevoel voor controle (terug)geven
Preoperationeel en zieke ouders (psychiatrie) (KOPP)
Egocentrisch denken:
Verband zien tusen eigen gedrag en opname/gedrag ouder
Intuitief denken:
Niet logische verklaringen voor gedrag ouder
Geen uiterlijke kenmerken van de ‘ziekte’ van ouder
Bij deze kinderen speelt: hechtingsproblemen, meer angst en depressie, sociaal isolement,
parentificatie, gedragsproblemen.
Concreet operationeel stadium
Concreet-operationeel stadium (Piaget): de periode van cognitieve ontwikkeling tussen het
7e en 12e levensjaar die wordt gekenmerkt door het actieve en juiste gebruik van logica.
Wanneer een kind concreet operationeel kan denken kan het logische operaties toepassen
op concrete problemen. Conservatie problemen worden zo opgelost.
, Ook kunnen kinderen dan decentreren, het vermogen om rekening te houden met
verschillende aspecten van een situatie. Dit omdat ze minder egocentrisch denken.
Wanneer een kind goed in staat is concreet-operationeel te denken gaan ze het concept
reversibiliteit begrijpen, het vermogen om een uitgevoerde handeling (in gedachten) weer
terug te halen. (ze begrijpen bijvoorbeeld dat een bal klei tot slang gemaakt kan worden
maar daarna ook weer terug tot bal gemaakt kan worden en op latere leeftijd begrijpen zij
dat 5+3 hetzelfde is als 3+5)
Opname/ziekzijn en schoolleeftijd
Uit de peergroup ‘vallen’ is heel erg.
Minder op ouders leunen, wel ouders nodig bij stress.
Kind begrijpt beter de waarde van zijn lichaam, angst voor beschadiging of
verminking
Angst voor narcose, angst voor verlies van controle
Privacy
Regressie
Steeds meer begrip dat doodgaan definitief is.
Formeel-operationele stadium
Formeel-operationele stadium: het stadium waarin mensen het vermogen ontwikkelen om
abstract te denken.
In staat om op een abstracte, en niet alleen op een concrete, manier naar problemen te
kijken.
Hypothetisch-deductief redeneren: beginnen met een algemene theorie over datgene wat
een bepaald resultaat oplevert, vervolgens daaruit verklaringen afleiden voor specifieke
situaties waarin ze dat specifieke resultaat zien gebeuren.
Propositioneel denken: het gebruiken van abstracte logica in de afwezigheid van concrete
voorbeelden. (een paraplu meenemen omdat er later op de dag regen kan vallen)
John Flavell Theory of mind
Theory of mind: grondlegger John Flavell. De (cognitieve) vaardigheid om aan jezelf en aan
anderen gedachten, gevoelens, ideeen en intenties toe te schrijven en op basis daarvan te
anticiperen op het gedrag van anderen.
John Flavell -> baby’s begrijpen vrij vroeg bepaalde dingen over de mentale processen van
zichzelf en anderen.
Hechtingstheorie
1-jarige kunnn 4 typen reacties vertonen:
1) Veilige hechtingspatroon
Hechtingsstijl waarbij kinderen zich op hun gemak lijken te voelen als hun moeder
aanwezig is en ook al raken ze van streek als moeder de ruimte verlaat, naar haar toe
gaan als ze terugkeert (meeste kinderen)
2) Angstig-vermijdend hechtingspatroon
Hechtingsstijl waarbij kinderen niet de nabijheid van hun moeder opzoeken en haar
lijken te mijden als ze terugkeert van afwezigheid.
3) Angstig-ambivalent hechtingspatroon