4.1 Welke ideeën ontstonden tijdens de verlichting over de ideale samenleving, 1650-1789?
K.A: Rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
-Vanaf de Renaissance (14e eeuw): Hernieuwde kennismaking met het Klassieke gedachtengoed,
geleerden bestuderen de Klassieke werken en komen zo ook in aanraking met niet religieuze
onderwerpen.
-Wetenschappelijke Revolutie (17e eeuw): Periode waarin veel nieuwe ontdekkingen en uitvindingen
werden gedaan door te observeren en te experimenteren.
grote verandering in het leven van de mens.
De Verlichting
Halverwege de 17e eeuw ontstaan in delen van Europa het verlichte denken. Traditie en bijgeloof
maken plaats voor verstand en rede.
De verlichting stelt bestaande inzichten op het gebied van sociale verhoudingen, politiek, economie
en religie ter discussie. Hierin staan twee denkvormen centraal:
1. Empirisme: de mens bouwt kennis op door waarneming en ervaring.
2. Rationalisme: De rede is de enige of meest voorname bron van kennis. De werkelijkheid bevat
volgens rationalisten een logische structuur die door het verstand ‘gelezen’ kan worden.
Verlichters vonden dat de samenleving net zoals de natuur op een redelijke manier moest worden
onderzocht.
Doel: het streven naar kennis brengt de mens een groter oplossingsvermogen voor problemen in de
samenleving. = optimisme en vooruitgangsgedachte
Verlichte denkers gaan met elkaar de discussie aan radicalen en gematigden.
Gematigden: zoeken balans tussen rede en traditie
Radicale denkers: die uitgaan van universele waarden als democratie, gelijkheid, vrijheid
(compromisloos, geweld en verwerpen de invloed van religie of zelfs religie in zijn geheel)
De Verlichting in de Republiek
De nieuwe maatschappelijke denkbeelden en opvattingen leidden tot grote meningsverschillen>
In hoeverre mag het geloof invloed hebben op de maatschappij?
In navolging van Erasmus protesteerde Coornhert tegen de achterstelling van andersgelovigen.
Moraal en ethiek hoorden niet meer op religie gebaseerd te zijn volgens hem, hij wilde dus dat de
invloed van religie op de maatschappij minder werd. Simon Stevin was ook een
natuurwetenschapper, maar bij hem was er wel plaats voor God en geloof. De denkbeelden van
Coornhert gingen hem te ver.
Spinoza (1632-1650)
Wenste totale vrijheid van het denken en spreken. Hij vindt dat de kerk en de Bijbel het vrije denken
beperken.
Een ideale staat is een staat die de mensen volledige vrijheid van denken geeft. (Republikein en
voorstander van een democratie)
Volgens Spinoza is God de natuur en meer niet, hij geloofde dus niet in een hiernamaals, het nut van
kerken en een door God opgelegde moraal. ‘De hele werkelijkheid is God.’