Hoofdstuk 10 - Organische verbindingen
Indy Faassen, DV5a
§10.1 Klassen van organische verbindingen
Organische verbindingen: moleculaire stoffen waarvan de moleculen zijn opgebouwd uit voornamelijk koolstof- en waterstofatomen.
- Ze danken hun naam, doordat ze worden gemaakt door levende wezens (organismen)
- Voorbeelden organische verbindingen: eiwitten, suikers, DNA en vetten.
- Als er een buitenaards leven bestaat, zal dit hoogstwaarschijnlijk uit koolstofverbindingen bestaan.
Organische verbindingen
Koolwaterstoffen: moleculaire stoffen waarvan de moleculen uitsluitend zijn opgebouwd uit C- en H-atomen. Het zijn de eenvoudigste organische
verbindingen.
- Voorbeelden: alkanen, alkenen en cycloalkanen (komen voor in fossiele brandstoffen)
- Komen niet zoveel voor in levende organismen; ze zijn hydrofoob (lossen niet op in water) en kunnen weinig reacties aangaan.
Organische verbindingen in levende organismen
Er is minstens één H-atoom of meer H-atomen vervangen door een ander atoom of atoomgroep, waardoor een karakteristieke groep ontstaat.
- Karakteristieke groepen hebben invloed op de eigenschappen van de stof: oplosbaarheid en reactiviteit.
Functionele groepen: groepen met vertakkingen en dubbele bindingen.
Anorganische verbindingen: verbindingen die niet tot organische verbindingen behoren.
- Voorbeelden anorganische verbindingen: zouten, water en zwaveldioxide.
Regels voor systematische naamgeving
Bij elke systematische naam kan slechts één structuurformule worden getekend.
De belangrijkste regels voor de systematische naamgeving voor organische verbindingen vind je in Binas tabel 66C en 66D.
Het achtervoegsel krijg krijg het laagste nummer, daarna gaat het op prioriteit (belangrijkste voorvoegsel)
Carbonzuren
Carbonzuren: koolwaterstoffen met een carboxygroep.
• Hoog kookpunt door waterstofbruggen die door de COOH-groep kunnen worden gevormd.
• H-atoom kan worden afgestaan in een zuur-basereactie. Er ontstaat dan een zuurrestgroep, de COO-groep.
• Wanneer een carboxygroep aan een cyclische verbinding zit, kan het C-atoom zich niet in de hoofdketen bevinden. Het achtervoegsel wordt dan
-carbonzuur.
Aldehyden en ketonen
Aldehyden/ketonen: koolstofverbindingen met een dubbelgebonden O-atoom, dat in tegenstelling tot carbonzuren, niet vergezeld gaat van een
hydroxygroep. Ze hebben in tegenstelling tot carbonzuren geen zure eigenschappen en zijn minder hydrofiel.
1. Aldehyden:
Het dubbelgebonden O-atoom bevindt zich aan het uiteinde van de keten. Om aan te geven dat een verbinding een aldehyde betreft, gebruik je het
achtervoegsel -al. Een koolstofverbinding met als enige karakteristiekegroep een alhydegroep heet dus een alkanal.
2. Keton:
Het dubbelgebonden O-atoom bevindt zich ergens midden in de koolstofketen. De systematische naam krijgt het achtervoegsel -on. Een
koolstofverbinding met als enige karakteristieke groep een ketongroep heet dus een alkanon.