Hoofdstuk 4:
Paragraaf 1:
De huid:
De opperlaag: deze bestaat uit de hoornlaag en kiemlaag:
o Hoornlaag: deze laag bestaat uit dode, verhoornde epitheelcellen, het beschermt
tegen beschadiging, uitdroging en infecties.
o Kiemlaag: deze bestaat uit levende epitheelcellen. De onderste laag van de
kiemlaag deelt zich voortdurend terwijl de bovenste laag verschuift, verhoornt en
afsterft.
Melanocyten: pigmentvormende cellen die melanine vormen.
Lederhuid: geeft voedingsstoffen en zuurstof af aan de epitheelcellen in de kiemlaag.
Deze laag bevat zintuigcellen, uitlopers van zenuwcellen, haarspiertjes, bloedvaten en
zweetklieren.
Onderhuidse bindweefsel: hierin ligt vet opgeslagen in vetcellen.
Temperatuurregulatie:
De temperatuur kan worden geregeld door de bloedvaten verwijden, hierdoor
stroomt er meer warm bloed door de aderen en wordt de warmteafgifte vergroot.
Dit zorgt voor een vergroting van de productie van zweet.
Paragraaf 2:
Virus:
Het virus dringt de cel binnen, hierbij wordt de eiwitmantel gescheiden van het DNA.
De enzymen van de geïnfecteerde cel zorgen voor de replicatie van het virale DNA.
De enzymen van de gastcel zorgen voor transcriptie van het virale DNA naar viraal
mRNA. De ribosomen lezen het virale mRNA af en maken een eiwitmantel.
Het viraal DNA en de eiwitmantel worden gecombineerd tot een nieuw virus, die de
cel verlaat.
De eerste verdedigingslinie:
De huid en de slijmvliezen vormen samen de eerste linie in de afweer. Door hun
bouw bemoeilijken ze het binnendringen van ziekteverwekkers en schadelijke
stoffen. Dit wordt mechanische afweer genoemd.
Chemische afweer: een te lage pH op de huid (door zweet en olie) waardoor
bacteriën hier niet kunnen leven.
Het immuunsysteem:
Aspecifieke afweer: is gericht tegen vele verschillende typen ziekteverwekkers en
dient als een snelle afweer tegen infecties.
o Fagocyten spelen een belangrijke rol in het aspecifieke afweersysteem -- >
deze nemen ziekteverwekkers waar en onschadelijk gemaakt door ze op te
nemen.
Granulocyten: Deze nemen de ziekteverwekker op, hierna barsten de
lysosomen uit de granulocyt. Deze maken de ziekteverwekker
onschadelijk. Door dit proces gaat granulocyt ook dood.
Macrofagen: Deze doen precies hetzelfde als granulocyten maar ook
dode celresten opruimen. Macrofagen kunnen daarnaast meerdere
Paragraaf 1:
De huid:
De opperlaag: deze bestaat uit de hoornlaag en kiemlaag:
o Hoornlaag: deze laag bestaat uit dode, verhoornde epitheelcellen, het beschermt
tegen beschadiging, uitdroging en infecties.
o Kiemlaag: deze bestaat uit levende epitheelcellen. De onderste laag van de
kiemlaag deelt zich voortdurend terwijl de bovenste laag verschuift, verhoornt en
afsterft.
Melanocyten: pigmentvormende cellen die melanine vormen.
Lederhuid: geeft voedingsstoffen en zuurstof af aan de epitheelcellen in de kiemlaag.
Deze laag bevat zintuigcellen, uitlopers van zenuwcellen, haarspiertjes, bloedvaten en
zweetklieren.
Onderhuidse bindweefsel: hierin ligt vet opgeslagen in vetcellen.
Temperatuurregulatie:
De temperatuur kan worden geregeld door de bloedvaten verwijden, hierdoor
stroomt er meer warm bloed door de aderen en wordt de warmteafgifte vergroot.
Dit zorgt voor een vergroting van de productie van zweet.
Paragraaf 2:
Virus:
Het virus dringt de cel binnen, hierbij wordt de eiwitmantel gescheiden van het DNA.
De enzymen van de geïnfecteerde cel zorgen voor de replicatie van het virale DNA.
De enzymen van de gastcel zorgen voor transcriptie van het virale DNA naar viraal
mRNA. De ribosomen lezen het virale mRNA af en maken een eiwitmantel.
Het viraal DNA en de eiwitmantel worden gecombineerd tot een nieuw virus, die de
cel verlaat.
De eerste verdedigingslinie:
De huid en de slijmvliezen vormen samen de eerste linie in de afweer. Door hun
bouw bemoeilijken ze het binnendringen van ziekteverwekkers en schadelijke
stoffen. Dit wordt mechanische afweer genoemd.
Chemische afweer: een te lage pH op de huid (door zweet en olie) waardoor
bacteriën hier niet kunnen leven.
Het immuunsysteem:
Aspecifieke afweer: is gericht tegen vele verschillende typen ziekteverwekkers en
dient als een snelle afweer tegen infecties.
o Fagocyten spelen een belangrijke rol in het aspecifieke afweersysteem -- >
deze nemen ziekteverwekkers waar en onschadelijk gemaakt door ze op te
nemen.
Granulocyten: Deze nemen de ziekteverwekker op, hierna barsten de
lysosomen uit de granulocyt. Deze maken de ziekteverwekker
onschadelijk. Door dit proces gaat granulocyt ook dood.
Macrofagen: Deze doen precies hetzelfde als granulocyten maar ook
dode celresten opruimen. Macrofagen kunnen daarnaast meerdere