Gedrag: alles wat een mens of dier doet of nalaat.
- Heeft een sociale-, overlevings- of voortplantingsfunctie
- Komt tot stand door de werking van spieren of klieren
- Is het reageren van een dier of een mens op prikkels
Prikkels: veranderingen in de omgeving die wordt opgevangen met de zintuigen. beïnvloeden het
gedrag van mensen en dieren
Prikkels black box (dier of mens) respons (de actie)
Ritueel gedrag: gedrag dat bedoeld is om spanningen te verminderen of te voorkomen, bestaat uit
een aantal handelingen (bv. knuffelen)
- Onderling band versterken
- Agressie remmen
- Veiligheidsgevoel versterken
Signalen (prikkels met informatie voor soortgenoten) in een vaste volgorde vormen
een herkenbaar ritueel. De persoonlijke ruimte bepaalt hoe ver soortgenoten elkaar
kunnen benaderen zonder dat ze zich bedreigd voelen.
Communicatie: het overbrengen van ideeën en informatie.
- Verbaal = praten
- Non-verbaal = lichaamstaal (signalen)
Signaal = opvallende geur, kleur, vorm, geluid of gebaar dat verzonden wordt door een
organisme en voor soortgenoten info bevat.
Territorium: een gebied dat in bezig gehouden wordt voor een bepaald doel en verdedigd wordt
tegen soortgenoten. Nut:
- Eigen voedselvoorraad
- Veilig voor nakomelingen
- Meer kans op vinden van voortplantingspartner
Baltsgedrag: ritueel gedrag ter voorbereiding van een paring. Bedoeld om te bereiken dat de partner
dicht in de persoonlijke ruimte komt.
Sociaal gedrag: gedrag van soortgenoten ten opzichte van elkaar.
Redenen waarom mensen in sociale groepen leven:
- Veiligheid
- Voldoende / variatie van voedsel
- Huisvesting
, Paragraaf 1.2 prikkels
Inwendige prikkel: prikkels vanuit het dier / mens zelf.
- Hormonen
- Honger en dorst
- Buikpijn
Uitwendige prikkel: prikkel vanuit de omgeving.
- Oog prikkel licht
- Neus prikkel geur
- Tong prikkel smaak
Respons: reactie op een prikkel.
Feromonen: een signaalmolecuul die boodschappen overbrengt.
Geslachtshormonen: hormonen die worden aangemaakt in de geslachtsorganen.
- Testosteron
- Oestrogeen
- Progesteron
Zintuigen: de verkenners van je lichaam, vangen een prikkel op en de hersenen sturen het gedrag.
1. Sleutelprikkel: prikkel die altijd hetzelfde gedrag tot
gevolg heeft
2. Supranormale prikkel: een (sleutel) prikkel die een nog
sterkere reactie uitlokt dan de normale prikkel.
Motivatie: de bereidheid tot het verrichten van bepaald gedrag.
Pas als er genoeg motivatie is (drempelwaarde) volgt er gedrag.
Drempelwaarde: de hoogte van de motivatie die nodig is om tot een
bepaald gedrag over te gaan.
Prikkel + motivatie + drempelwaarde gedrag / respons
Oorsprong van gedrag:
- Aangeboren = al aanwezig bij de geboorte
- Aangeleerd = niet aangeboren, dus met behulp van oefening geleerd