Filosofie en Psychologie
7 oktober 2020
, Vat samen wat er fout ging bij het vertalen van de resultaten van de studie door
Hoogman et al. (2017) naar het generale publiek (tot aan het Mediation Effect)
In 2017 publiceerde Hoogman et al. (2017) een studie waarin als voornaamste
conclusie gesteld werd dat mensen met ADHD een kleiner brein hebben ten opzichte van
mensen zonder ADHD. De studie heeft echter niet genoeg bewijs dit op deze manier te
stellen, daarnaast bevat de studie methodologische tekortkomingen, problemen met
ontbrekende gegevens en statistische rapportagefouten en weglatingen (Corrigan, 2019).
Door te stellen dat mensen met ADHD een kleiner hersenvolume hebben, gaat het
publiek ervan uit dat dit een eigenschap is van ieder individu gediagnosticeerd met ADHD
waarbij de aanname is dat (bijna) alle subjecten met ADHD een kleiner breinvolume gehad
zouden hebben dan de norm. Dit is echter niet het geval: de studie geeft de resultaten weer
door middel van effect size, wat de ware sterkte van bevindingen aangeeft en hoeveel overlap
er is tussen de individuele hersenvolumes in beide groepen. Uiteindelijk wordt hiermee de
waarschijnlijkheid vastgesteld dat een individu in de ADHD-groep een kleiner hersenvolume
heeft dan een individu in de controlegroep. De auteurs stellen een effect size van 0.19 vast bij
voor verschillen in het gemiddelde volume van de accumbens bij kinderen onder de 15. Wat
de auteurs hierbij niet vermelden, is dat dit in werkelijkheid betekent dat 58% van de
kinderen een accumbens volume onder het gemiddelde in de controlegroep en 42% een
accumbens volume boven het gemiddelde in de controlegroep. Ook betekent dit dat bij het
accumbens volume van een random gekozen kind men 54% kans zou hebben juist te raden
tot welke groep deze behoort (ADHD-, of controlegroep). Kortom is er een grote overlap in
de data, en verschillen de gemiddelden van de groepen, en maakt een studie een fout door
gegevens te nemen die wat zeggen over een gemiddeld verschil in gepoolde hersenvolumes
met een kleine effectgrootte en dat verschil generaliseren naar individuen in het ADHD-
cohort, en het te presenteren als een kenmerkend kenmerk van ADHD.
Hiernaast heeft de studie een ander gevonden resultaat verstopt in de appendix: de
kinderen met ADHD hadden in deze studie een gemiddeld hoger IQ dan de kinderen zonder
ADHD. De studie heeft dit niet aan het licht gebracht, en de focus op het verschil in
breinvolumes gehouden.
Door bovengenoemde problemen heeft het publiek een vertekende visie op mensen en
kinderen met ADHD ontvangen. Door uit te lichten dat een kleiner breinvolume een kenmerk
is van ADHD denkt men dat ADHD een onvolkomenheid van het brein is. Ook is dit
gebaseerd op een statistische fout, en dus niet per se juist. Als het verschil in IQ in de studie