Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting 2.7 Orthopedagogiek Probleem 1-7

Beoordeling
-
Verkocht
6
Pagina's
43
Geüpload op
08-02-2022
Geschreven in
2020/2021

Duidelijke samenvatting van het vak Orthopedagogiek in blok 2.7. De samenvatting bevat de volgende problemen: Persoonlijkheidsproblematiek, ADHD, ODD & CD, Autisme, Leerstoornsisen, Stemmingsstoornissen, Angststoornissen.

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

PROBLEEM 1 PERSOONLIJKHEIDSPROBLEMATIEK
Leerdoel 1 Wat is het verschil tussen temperament en persoonlijkheid
Temperament: individuele kenmerken van jeugdigen (bijv. extravert of introvert). Vier kenmerken:
1. Vanaf de vroege kindertijd
2. Relatief consistent
3. Sterke genetische of neurologische basis
4. Multidimensionaal: temperament omvat verschillende dimensies
Persoonlijkheid: groep eigenschappen met voor het individu kenmerkende manieren van denken,
voelen en gedragen.
Klassieke visie: temperament is de biologische basis van persoonlijkheid (causale relatie) >
persoonlijkheid is breder.
Kritiek:
- Persoonlijkheid heeft ook een biologische basis
- Veel gemeenschappelijke kenmerken
- Beiden beïnvloedt door ervaring
- Sommige kenmerken van temperament ontwikkelen zich pas op latere leeftijd.
Drie theorieën temperament:
1. Gedragsstijlbenadering (Thomas & Chess)
- Temperament: ‘hoe’ van het gedrag (stilistisch aspect).
- Negen gedragscategorieën > Vier dimensies: sociale remming, activiteit, aandacht, prikkelbare
stress.
- Drie soorten temperament: gemakkelijk kind, traag-op-gang-komend kind, moeilijk kind.
Kritiek:
- Weinig aandacht voor emotionele en motiverende componenten (inhoud en motivatie)
- Weinig bewijs voor de negen dimensies
- Stemming opgevat als continuüm > twee losse temperament kenmerken: positief en
negatieve gevoelens.
2. Kritische benadering (Buss & Plomin)
- Vijf criteria temperament: moet geërfd zijn, stabiel tijdens kindertijd, behouden tot volwassenheid,
evolutionair adaptief, aanwezig in stamboom.
> Vier dimensies: emotionaliteit, activiteit, gezelligheid, impulsiviteit.
- Verschil model Thomas & Chess en Buss & Ploming:
- Thomas & Chess: kinderen, Buss & Ploming: volwassenheid.
- Buss & Ploming kijken naar ‘hoe’ + inhoud van gedrag.
- Buss & Ploming: temperament makkelijker meten (5 criteria).

,3. Psycho-biologische benadering (Rothbart)
- Temperament: ligt vast in DNA. Individuele verschillen in:
- Reactiviteit: hoe prikkelbaar is je zenuwstelsel
- Emotionaliteit
- Activiteit (motorisch)
- Zelfregulatie: aandacht regulerende processen en vermogen om reacties te remmen.
> Drie dimensies:
1. Negatieve affectiviteit (reactiviteit): neiging negatieve emoties te voelen
2. Positieve affectiviteit (reactiviteit): neiging positieve emoties te voelen
3. Effortful control (regulatie): vermogen respons af te remmen.
- Verschil andere modellen: verklaart zowel ‘hoe’, inhoud als motivatie van gedrag.
Conclusie dimensies van temperament:
1. Emotionaliteit (negatieve/positief)
2. Vriendelijkheid vs. sociale inhibitie
3. Activiteit (motorisch)
4. Persistentie (effortful control)
Five Factor model persoonlijkheid:
1. Extraversie: mate waarin je op zoek bent naar andere mensen of juist graag alleen bent.
2. Emotionele stabiliteit vs. neurocitisme: mate waarin je gevoelig bent voor prikkels uit de
omgeving en behoefte hebt aan zekerheid.
3. Altruïsme: mate van vriendelijkheid/meegaandheid.
4. Consiënthieusheid: mate van impulscontrole, verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid (op werk).
5. Openheid voor ervaring: mate van flexibiliteit en openheid (vindingrijkheid bij kinderen).
> Dimensies zijn bipolair (twee uitersten).
Artikel Shiner: persoonlijkheid en temperament samengenomen. Drie verschillen:
- Boosheid/irriteerbaarheid: binnen temperament emotionaliteit, binnen persoonlijkheid
vriendelijkheid.
- Dominantie: binnen temperament extraversie, binnen persoonlijkheid lage vriendelijkheid
- Sociale inhibitie: dubbelzinnige term.
- Higher orders: overkoepelende term (bijv. extraversie).
- Lower orders: specifieke eigenschappen (bijv. enthousiast).
- Klassieke trek theorie: persoonlijkheid verandert niet met de tijd (nature)
- Contextuele perspectief: persoonlijkheid verandert met de tijd door invloed omgeving (nurture)
Wisselwerking persoonlijkheid en omgeving > zes processen:
1. Leerproces: temperament vormt de ervaring van het kind met klassieke en operante
conditionering.
2. Omgevingsuitlokking: temperament vormt de reactie van volwassenen en
leeftijdsgenoten op het kind.

, 3. Omgevingsbewustzijn: temperament vormt de manier waarop kinderen de omgeving en
hun ervaringen interpreteren.
4. Sociale en temporele vergelijkingen: temperament vormt de manier waarop kinderen
zichzelf evalueren ten opzichte van anderen en zichzelf gedurende de tijd.
5. Omgevingsselectie: temperament geeft vorm aan de keuzes van kinderen over hun
dagelijkse omgeving.
6. Omgevingsmanipulatie: temperament vormt de manier waarop kinderen hun omgeving
veranderen, aanpassen en manipuleren.
Leerdoel 2. Wanneer is er sprake van een (ab)normale persoonlijkheid en wanneer van een
persoonlijkheidsstoornis? Wat houdt een Borderline persoonlijkheidsstoornis in?
1. Normale persoonlijkheid: op iedere dimensie en de onderliggende facetten aangeven in welke
mate van toepassing (Five Factor Model).
2. Abnormale persoonlijkheid: extreme positie of afwijking van het gemiddelde op de vijf dimensies.
> Verschil normaal en abnormaal is kwantitatief
3. Gestoorde persoonlijkheid: substantiële beperkingen in het functioneren op het gebied van het
zelf (bijv. identiteit) en op het gebied van relaties (bijv. empathie).
> Verschil normaal en gestoord is kwalitatief
Persoonlijkheidsstoornis: psychische aandoening waarbij het dagelijks functioneren ernstig wordt
verstoord door beperkingen in de persoonlijkheid en door pathologische
persoonlijkheidskenmerken:
1. Individuele problemen: identiteit en zelfsturing
2. Intermenselijk functioneren: empathie en intimiteit.
Vijf pathologische persoonlijkheidstrekken DSM-V: negatieve affectiviteit, afstandelijkheid of
introversie, antagonisme (vijandigheid), disinhibitie (impulscontrole), psychoticisme.
DSM-V 11 specifieke persoonlijkheidsstoornissen: borderline, dwangmatig, histrionische,
afhankelijk, vermijdend, paranoïde, schizoïde, schizo typische, antisociale, narcistische, andere
gespecificeerd en ongespecificeerd.
DSM-V criteria persoonlijkheidsstoornis:
- Afwijkend patroon van ervaringen en gedragingen, uitingen in minimaal twee gebieden:
cognities (waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen en gebeurtenissen),
affectiviteit, intermenselijk functioneren en impulsbeheersing.
- Komt tot uiting in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties
- Veroorzaakt lijdensdruk
- Stabiel, van lange duur en begint op zijn laatst in de adolescentie
- Niet worden verklaard als uiting of gevolg van een andere psychische stoornis
- Niet worden toegeschreven aan effecten van een middel of somatische aandoening.
> voldoen aan 5 van de 9 kenmerken.
Prevalentie:
- Persoonlijkheidsstoornis: 11% in de algemene populatie jeugdigen en 40% in klinische
populaties.
- Borderline persoonlijkheid: 20% in de klinische populatie jeugdigen.

, Problemen classificeren persoonlijkheidsstoornis bij jeugdigen: angst te stigmatiseren en jeugdigen
hebben een instabiele persoonlijkheid.
Borderline persoonlijkheidsstoornis: instabiele relaties met anderen en een instabiel zelfbeeld,
sterke stemmingswisselingen en impulsief.
DSM-V criteria BPS:
- Pogingen om verlating te voorkomen.
- Instabiele en intense intermenselijke relaties
- Identiteitstoornis
- Impulsiviteit die de betrokkene kunnen schaden
- Suïcidale gedragingen, dreiging of automutilatie
- Instabiele stemming
- Chronisch gevoel van leegte
- Inadequate, intense woede of moeite met boosheid beheersen
- Paranoïde ideeën of dissociatieve symptomen
> Problemen moeten op jongvolwassen leeftijd beginnen en in verschillende contexten.
> Voldoen aan minstens 5 van de 9 symptomen.
Dus: snel wisselende stemming, instabiele relaties, impulsief, cognitieve stoornis, hallucinaties,
problemen emotieregulatie, verstoorde hechting.
Vier probleemgebieden BPS:
1. Affectregulatie: sterk wisselende stemmingen of emoties.
2. Intermenselijke relaties: instabiele of intense relaties en verlatingsangst.
3. Impulsbeheersing: sterk impulsief gedrag.
4. Cognitieve stoornissen: paranoïde ervaringen, hallucinaties en dissociatieve klachten.
Prevalentie BPS: bij 17-23% van de jeugdigen. Jongens meer externaliserend, meisjes meer
internaliserend.
Comorbiditeit: bijna de helft van adolescenten met BPS heeft een gedragsstoornis. Jeugdigen met
BPS doen vaker suïcidepogingen (criterium BPS).
Five Factor Model BPS: hoge scores op neuroticisme, lage scores op altruïsme (emotioneel instabiel.
niet empathisch).
Leerdoel 3 Wat is de relatie tussen persoonlijkheid en psychopathologie?
Hypothesen over de relatie tussen persoonlijkheid en psychopathologie:
1. Spectrumhypothese: normale persoonlijkheid en psychopathologie maken deel uit van hetzelfde
continuüm. Onderliggende genetische-biologische factor is hiervoor verantwoordelijk.
Psychopathologie kan uiteinde van een persoonlijkheidsstrek zijn. > Geen relatie
- Continuïteitshypothese: maakt geen assumpties over een gemeenschappelijke oorzaak.
2. Kwetsbaarheidshypothese: bepaalde persoonlijkheidstrekken weerspiegelen een kwetsbaarheid
om bepaalde symptomen te ontwikkelen onder invloed van stressoren. > Wel relatie
- Complicatiehypothese: andersom > langdurige psychopathologie veroorzaken tijdelijke
veranderingen in de persoonlijkheid.

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
8 februari 2022
Aantal pagina's
43
Geschreven in
2020/2021
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$8.12
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
shannonspork Haagse Hogeschool
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
175
Lid sinds
10 jaar
Aantal volgers
99
Documenten
14
Laatst verkocht
2 weken geleden

3.8

9 beoordelingen

5
2
4
5
3
1
2
0
1
1

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen