Welke genotsrechten zijn er?
- Het recht van vruchtgebruik
- Erfdiensbaarheden
- Het recht van erfpacht
- Het recht van opstal
Recht van vruchtgebruik
Wordt niet in de wet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven welke bevoegdheden uit het recht
voortvloeien. De essentie van het vruchtgebruik staat in art 3:201 BW. Naar inhoud lijkt het
vruchtgebruik sterk op erfpacht. Beide geven het recht tot gebruik en vruchttrekking. De
belangrijkste verschillen zijn dat erfpacht uitsluitend op onroerende zaken kan worden gevestigd en
dat het vruchtgebruik is beperkt tot het leven van de oorspronkelijke vruchtgebruiker (degene die
het recht van vruchtgebruik heeft). Is een beperkt genotsrecht dat op alle goederen, kan rusten en
daarom is geregeld in boek 3.
Duur van vruchtgebruik is beperkt tot het leven van de vruchtgebruiker 3:203 lid 2 BW. de duur van
het vruchtgebruik wordt niet beïnvloed door overdracht of bezwaring ervan ten gunste van een
derde art 3:233 BW. Ook in dat geval eindigt het dus met het overlijden van de eerste
vruchtgebruiker respectievelijk na het verloop van dertig jaar na de vestiging.
Bevoegdheden vruchtgebruiker
1. Vruchttrekking 3:201 jo 3:216 jo 5:17 jo 3:9
2. Gebruik en verbruik 3:207 jo 3:214
3. Beheer algemeen 3:207 lid 2 (bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van het
vruchtgebruikgoed dienstig kunnen zijn)
4. Beheer inning 3:210 (tot de beheersbevoegdheid van de vruchtgebruiker ten aanzien van het
vruchtgebruikgoed behoort in de eerste plaats de bevoegdheid om van aan het
vruchtgebruik onderworpen vorderingen in en buiten rechte nakoming te eisen en betaling
in ontvangst te nemen).
Restitutie
Ingevolge art 3:225 rust de vruchtgebruiker de verplichting om an afloop van het vruchtgebruik
(oorspronkelijke of bij wege van substitutie daar onder vallende) vruchtgebruikgoederen ter
beschikking van de hoofdgerechtigde te stellen, en wel in de al dan niet gebruikte staat waarin zij
zich dan bevinden. Onder het ter beschikking stellen van de goederen moet worden verstaan het
verrichten van alle handelingen die nodig zijn om de hoofdgerechtigde in staat te stellen zijn rechten
uit te oefenen.
Ontstaan
Art 3:202 BW. Meestals door vestiging. Op vestiging zijn ingevolge de schakelbepaling van art 3:98,
de vereiste voor overdracht van het vruchtgebruikgeod van toepassing. Derhalve: geldige titel,
beschikkingsbevoegdheid, goederenrechtelijke overeenkomst en vestigingsformaliteit. De
vervullende vestigingsformaliteit is afhankelijk van de aard van het geod (art 3:89 – 95)
Erfdienstbaarheid
De erfdienstbaarheid wordt in art. 5:70 lid 1 BW omschreven. Ter illustratie: A is eigenaar van een
huis met tuin. De kortste weg voor A om vanuit zijn tuin de openbare weg te bereiken is via een pad
over de grond van zijn buurman B. A en B kunnen nu een erfdienstbaarheid vestigen ten laste van het
- Het recht van vruchtgebruik
- Erfdiensbaarheden
- Het recht van erfpacht
- Het recht van opstal
Recht van vruchtgebruik
Wordt niet in de wet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven welke bevoegdheden uit het recht
voortvloeien. De essentie van het vruchtgebruik staat in art 3:201 BW. Naar inhoud lijkt het
vruchtgebruik sterk op erfpacht. Beide geven het recht tot gebruik en vruchttrekking. De
belangrijkste verschillen zijn dat erfpacht uitsluitend op onroerende zaken kan worden gevestigd en
dat het vruchtgebruik is beperkt tot het leven van de oorspronkelijke vruchtgebruiker (degene die
het recht van vruchtgebruik heeft). Is een beperkt genotsrecht dat op alle goederen, kan rusten en
daarom is geregeld in boek 3.
Duur van vruchtgebruik is beperkt tot het leven van de vruchtgebruiker 3:203 lid 2 BW. de duur van
het vruchtgebruik wordt niet beïnvloed door overdracht of bezwaring ervan ten gunste van een
derde art 3:233 BW. Ook in dat geval eindigt het dus met het overlijden van de eerste
vruchtgebruiker respectievelijk na het verloop van dertig jaar na de vestiging.
Bevoegdheden vruchtgebruiker
1. Vruchttrekking 3:201 jo 3:216 jo 5:17 jo 3:9
2. Gebruik en verbruik 3:207 jo 3:214
3. Beheer algemeen 3:207 lid 2 (bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van het
vruchtgebruikgoed dienstig kunnen zijn)
4. Beheer inning 3:210 (tot de beheersbevoegdheid van de vruchtgebruiker ten aanzien van het
vruchtgebruikgoed behoort in de eerste plaats de bevoegdheid om van aan het
vruchtgebruik onderworpen vorderingen in en buiten rechte nakoming te eisen en betaling
in ontvangst te nemen).
Restitutie
Ingevolge art 3:225 rust de vruchtgebruiker de verplichting om an afloop van het vruchtgebruik
(oorspronkelijke of bij wege van substitutie daar onder vallende) vruchtgebruikgoederen ter
beschikking van de hoofdgerechtigde te stellen, en wel in de al dan niet gebruikte staat waarin zij
zich dan bevinden. Onder het ter beschikking stellen van de goederen moet worden verstaan het
verrichten van alle handelingen die nodig zijn om de hoofdgerechtigde in staat te stellen zijn rechten
uit te oefenen.
Ontstaan
Art 3:202 BW. Meestals door vestiging. Op vestiging zijn ingevolge de schakelbepaling van art 3:98,
de vereiste voor overdracht van het vruchtgebruikgeod van toepassing. Derhalve: geldige titel,
beschikkingsbevoegdheid, goederenrechtelijke overeenkomst en vestigingsformaliteit. De
vervullende vestigingsformaliteit is afhankelijk van de aard van het geod (art 3:89 – 95)
Erfdienstbaarheid
De erfdienstbaarheid wordt in art. 5:70 lid 1 BW omschreven. Ter illustratie: A is eigenaar van een
huis met tuin. De kortste weg voor A om vanuit zijn tuin de openbare weg te bereiken is via een pad
over de grond van zijn buurman B. A en B kunnen nu een erfdienstbaarheid vestigen ten laste van het