1. Welke mogelijkheden zijn er om tegen een rechterlijke beslissing op te komen?
De gewone zijn: verzet (het rechtsmiddel waarmee de gedaagde opkomt tegen een
verstekvonnis), hoger beroep en cassatie. Tot de buitengewone rekent men – het zelden
toegepaste – derdenverzet en herroeping (voorheen ‘request-civiel’ genoemd). Het verschil
is dat de gewone rechtsmiddelen schorsende werking hebben, de buitengewone niet.
Schorsende werking houdt in dat de mogelijkheid om aan een tussenvonnis uitvoering te
geven of de bevoegdheid om een eindvonnis tenuitvoer te leggen, wordt opgeschort door
het tijdig daartegen instellen van een rechtsmiddel. Deze schorsing treedt evenwel niet in
indien het vonnis, zoals te doen gebruikelijk, uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Voor de ontvankelijkheid van zowel de gewone als de buitengewone rechtsmiddelen gelden
beperkingen van tijde, materieel belang en gronden.
- Termijn: vervaltermijnen die door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast,
zelfs als beide partijen het gevolg van de schending van de termijn, niet-ontvankelijkheid
van het rechtsmiddel, niet wensen.
- Keuze rechtsmiddel niet aan partijen overgelaten art 335 en 398 Rv. Kan wel overeen
worden gekomen om hoger beroep over te slaan en gelijk in cassatie te gaan.
- De gewone rechtsmiddelen kunnen door berusting verloren gaan (art. 143 lid 4, 334 en
400 Rv). Van berusting kan slechts sprake zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na
de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt en
aldus afstand doet van het recht daartegen een rechtsmiddel in te stellen of een houding
heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval
ondubbelzinnig blijkt.
a. Verzet
Verzet is het rechtsmiddel dat door de gedaagde kan worden ingesteld als hij niet is
verschenen in de tegen hem aangespannen procedure, waarna het door de eiser
gevorderde bij verstek geheel of gedeeltelijk is toegewezen.
De niet verschenen gedaagde heeft daarom diverse mogelijkheden om de
bezwaarlijke gevolgen van zijn niet-verschijning weg te nemen:
o Heeft de rechter na de verstekverlening nog geen vonnis gewezen dan kan de
gedaagde het verstek zuiveren door alsnog in het geding te verschijnen. Hij kan
dit doen uiterlijk op de dag voordat het (eind)vonnis wordt bepaald (art. 142 Rv).
Hij voorkomt daardoor dat een verstekvonnis wordt gewezen. Wanneer de
gedaagde het verstek zuivert, en aan het verstek kosten verbonden waren, zijn
deze voor zijn rekening (art. 142 Rv).
o Hij kan – als eisers vordering geheel of gedeeltelijk is toegewezen – tegen het
vonnis het rechtsmiddel van verzet instellen (art. 143 Rv).
o Gaat de eiser tegen het verstekvonnis in appel omdat hij met de uitspraak niet
tevreden is (bijv. omdat de rechter ambtshalve zijn aanspraak op
buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen of gematigd), dan kan de in eerste
aanleg niet verschenen gedaagde krachtens art. 335 lid 1 Rv geen verzet meer
instellen, maar wel zijnerzijds in hoger beroep komen (incidenteel appel, zie nr.
10.3.7). Had de gedaagde als eerste verzet ingesteld, dan kan de eiser zolang
geen hoger beroep instellen.
1
De gewone zijn: verzet (het rechtsmiddel waarmee de gedaagde opkomt tegen een
verstekvonnis), hoger beroep en cassatie. Tot de buitengewone rekent men – het zelden
toegepaste – derdenverzet en herroeping (voorheen ‘request-civiel’ genoemd). Het verschil
is dat de gewone rechtsmiddelen schorsende werking hebben, de buitengewone niet.
Schorsende werking houdt in dat de mogelijkheid om aan een tussenvonnis uitvoering te
geven of de bevoegdheid om een eindvonnis tenuitvoer te leggen, wordt opgeschort door
het tijdig daartegen instellen van een rechtsmiddel. Deze schorsing treedt evenwel niet in
indien het vonnis, zoals te doen gebruikelijk, uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Voor de ontvankelijkheid van zowel de gewone als de buitengewone rechtsmiddelen gelden
beperkingen van tijde, materieel belang en gronden.
- Termijn: vervaltermijnen die door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast,
zelfs als beide partijen het gevolg van de schending van de termijn, niet-ontvankelijkheid
van het rechtsmiddel, niet wensen.
- Keuze rechtsmiddel niet aan partijen overgelaten art 335 en 398 Rv. Kan wel overeen
worden gekomen om hoger beroep over te slaan en gelijk in cassatie te gaan.
- De gewone rechtsmiddelen kunnen door berusting verloren gaan (art. 143 lid 4, 334 en
400 Rv). Van berusting kan slechts sprake zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na
de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt en
aldus afstand doet van het recht daartegen een rechtsmiddel in te stellen of een houding
heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval
ondubbelzinnig blijkt.
a. Verzet
Verzet is het rechtsmiddel dat door de gedaagde kan worden ingesteld als hij niet is
verschenen in de tegen hem aangespannen procedure, waarna het door de eiser
gevorderde bij verstek geheel of gedeeltelijk is toegewezen.
De niet verschenen gedaagde heeft daarom diverse mogelijkheden om de
bezwaarlijke gevolgen van zijn niet-verschijning weg te nemen:
o Heeft de rechter na de verstekverlening nog geen vonnis gewezen dan kan de
gedaagde het verstek zuiveren door alsnog in het geding te verschijnen. Hij kan
dit doen uiterlijk op de dag voordat het (eind)vonnis wordt bepaald (art. 142 Rv).
Hij voorkomt daardoor dat een verstekvonnis wordt gewezen. Wanneer de
gedaagde het verstek zuivert, en aan het verstek kosten verbonden waren, zijn
deze voor zijn rekening (art. 142 Rv).
o Hij kan – als eisers vordering geheel of gedeeltelijk is toegewezen – tegen het
vonnis het rechtsmiddel van verzet instellen (art. 143 Rv).
o Gaat de eiser tegen het verstekvonnis in appel omdat hij met de uitspraak niet
tevreden is (bijv. omdat de rechter ambtshalve zijn aanspraak op
buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen of gematigd), dan kan de in eerste
aanleg niet verschenen gedaagde krachtens art. 335 lid 1 Rv geen verzet meer
instellen, maar wel zijnerzijds in hoger beroep komen (incidenteel appel, zie nr.
10.3.7). Had de gedaagde als eerste verzet ingesteld, dan kan de eiser zolang
geen hoger beroep instellen.
1