Thema 2: DNA
§1 Wat kun je doen met DNA?
- Genetische modificatie: Een techniek waarbij wenselijke erfelijke eigenschappen (genen) uit het ene
organisme worden gehaald, en worden ingebracht in een bevruchte eicel van een ander organisme.
- Transgeen: Een organisme dat een vreemd gen (een transgen) afkomstig van een ander soort organisme
in zijn erfelijk materiaal (DNA) draagt.
- Ggo: Genetisch gemodificeerd organisme.
- Gmo: Genetically modified organism.
- Gentherapie: Men brengt gezonde genen in bij een patiënt met een afwijkend of ontbrekend gen.
Gentherapie is voor bijna alle aandoeningen waarbij het kan worden toegepast nog in de onderzoeksfase.
§2 De bouw en functie van DNA
- Genoom:Het geheel aan erfelijke informatie in een cel van een organisme.
- mtDNA: Het DNA in mitochondriën.
- Nucleïnezuur: Een complex biochemisch macromolecuul waarin een groot aantal bouwstenen, de
nucleotiden, aan elkaar geschakeld zijn.
- Nucleotide: De bouwstenen van het DNA bestaande uit een fosfaatgroep, een desoxyribose (suiker) en
een stikstofbase.
- Desoxyribose: Suikers, één van de bouwstenen van een nucleotide.
- Adenine: Een van de vier stikstofbasen die de bouwsteen vormt van het DNA. Adenine vormt een
complementaire binding met thymine. Adenine bindt met thymine op basis van de vorm en de hoeveelheid
waterstofbruggen. Adenine en thymine binden met twee waterstofbruggen.
- Thymine: Een van de vier stikstofbasen die de bouwsteen vormt van het DNA. Thymine vormt een
complementaire binding met adenine. Adenine bindt met thymine op basis van de vorm en de hoeveelheid
waterstofbruggen. Adenine en thymine binden met twee waterstofbruggen.
- Cytosine: Een van de vier stikstofbasen die de bouwsteen vormt van het DNA. Cytosine vormt een
complementaire binding met guanine. Guanine bindt met cytosine met drie waterstofbruggen.
- Guanine: Een van de vier stikstofbasen die de bouwsteen vormt van het DNA. Guanine vormt een
complementaire binding met cytosine. Guanine bindt met cytosine met drie waterstofbruggen.
- Complementair: Complementariteit is de eigenschap van nucleïnezuren om bepaalde nucleotiden onderling
te verbinden door middel van waterstofbruggen.
- Helixstructuur: De twee ketens in een DNA-molecuul liggen in een dubbele spiraal om elkaar heen.
- Histonen: de eiwitten waarom de DNA-keten is gewikkeld.
- Nucleosoom: Een aantal histonen met het eromheen gewikkeld DNA
- Koppelings-DNA: DNA wat zich tussen twee opeenvolgende nucleosomen bevindt.
, Niet-coderend DNA
- Niet-coderend DNA: DNA dat niet voor eiwitten codeert (ongeveer 98,5% van het genoom)
DNA-sequentie
- Sequentie: De volgorde waarin de nucleotiden zijn gerangschikt.
§3 DNA-replicatie
- Replicatie Startpunt: het punt waar DNA-replicatie begint.
- Helicase: Het enzym dat de waterstofbruggen tussen de basenparen verbreekt.
- Replicatiebel: Bel dat ontstaat tussen de 2 DNA-strengen door helicase
- DNA-polymerase: Een enzym (eiwit) dat langs een enkelvoudige DNA-keten schuift en op deze manier
van vrije nucleotiden een nieuwe DNA-streng bouwt.
- Leidende streng: Synthese van 3’ naar 5’ verloopt normaal
- DNA-ligase: DNA-ligase is een speciaal enzym dat in de celkern veel voorkomt als er activiteit in het
DNA is. DNA ligase herstelt breuken in het DNA. Of lijmt stukken DNA aan elkaar nadat er fouten uit
het DNA zijn verwijderd.
- Volgende streng: DNA-polymerase moet de andere kant op om te synthetiseren → verloopt in korte
stukjes
- Chromatiden: Tijdens de kerndeling verkeren chromosomen in een verdubbelde toestand. Beide
chromatiden zitten dan op één plaats aan elkaar (het centromeer). Een chromosoom bestaat in de M-fase
uit twee chromatiden.