Week 1 Inkomstenbelasting, heffingskortingen en
persoonsgebonden aftrek
Hoofdstuk 1 t/m 4 uit “Fiscale Verdieping Sociaal Zekerheidsrecht”
1.1 Inleiding
Met de ingang van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna Wet IB 2001) is
het boxenstelsel geïntroduceerd.
Er zijn drie boxen in dit stelsel waarin verschillende inkomsten in aparte boxen
worden belast met een belastingtarief. De per box verschuldigde belasting wordt
per kalenderjaar samengevoegd in één aanslag inkomstenbelasting.
Op grond van art. 2.3 Wet IB 2001 zijn er de volgende drie boxen:
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Box 2 Inkomen uit aanmerkelijk belang aandelen
Box 3 Inkomen uit sparen en beleggen
Inkomsten kunnen maar in één box worden belast, zodat er geen sprake kan zijn
van een dubbele belastingheffing.
1.2 Heffingssystematiek
Het inkomen wordt belast na aftrek van eventuele aftrekposten en verrekenbare
verliezen.
Hoofdregel: het belastbare inkomen wordt per box berekend.
Uitzondering: wanneer er uitgavenzijn die niet in een afzonderlijke box
thuishoren, dan kan hiermee in bepaalde gevallen toch rekening mee worden
gehouden. Er zijn dan sprake van persoonsgebonden aftrekposten (PGA).
De aftrekposten staan in art. 6.1 e.v. Wet IB 2001 en zijn:
1: Betaalde alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen (bv.
partneralimentatie)
(art. 6.1 lid 2 sub a jo 6.3 jo 6.4 Wet IB 2001)
2: Uitgaven voor specifieke zorgkosten
(art. 6.1 lid 2 sub c jo 6.16, 6.17 en 6.18 Wet IB 2001)
3: Weekenduitgaven voor gehandicapten
(art. 6.1 lid 2 sub e jo 6.25 Wet IB 2001)
4: Kosten van studie of scholing
(art. 6.1 lid 2 sub f jo art. 6.27 Wet IB 2001)
5: Uitgaven voor monumentenpanden
(art. 6.1 lid 2 sub g jo art. 6.31 Wet IB 2001)
6: Aftrekbare giften
(art. 6.1 lid 2 sub h jo art. 6.32 Wet IB 2001)
Deze PGA verminderen het inkomen in box 1. Is het inkomen van box 1
ontoereikend (kom je in de min te staan, dit mag niet), dan komt het meerdere in
aftrek bij box 3 en daarna box 2 o.g.v. art. 6.2 Wet IB 2001.
Het is voordelig om het PGA in beginsel in box 1 te doen omdat het
belastingtarief daar het hoogste is.
Na toepassing van de PGA wordt per box afzonderlijk de belasting berekend.
Vervolgens worden de berekende belastingen van box 1,2 en 3 samengeteld.
, Na dat dit is samengesteld kunnen er nog heffingskortingen zijn. Het totaal toe
te passen heffingskortingen vormt een korting op de totaal berekende belasting
van box 1,2 en 3.
Schematisch de systematiek:
1.3 Box 1
De inkomsten die bij box 1 horen staan vermeld in art. 3.1 Wet IB 2001.
In box 1 worden inkomsten uit werk en woning betrokken, dit bestaat uit het
gezamenlijke bedrag van:
a) Winst uit onderneming
b) Loon uit tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking*
c) Resultaat uit overige werkzaamheden (bv. freelance werkzaamheden)
d) Periodieke uitkeringen en verstrekkingen** (bv. lijfrentetermijnen en
alimentatie)
e) Inkomsten uit de eigen woning***
*Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: is loon dat je NU verdient
met het werken in loondienst.
*Inkomsten uit vroegere arbeid: art. 11 lid 1 letter b,c, g en h jo lid 2
Uitvoeringsbesluit LB 1965. Veel sociale uitkeringen worden aangemerkt als loon
uit vroegere dienstbetrekking (bv. bijstandsuitkering, ziektewet, AOW, ANW, WAZ, WIA
en Wajong)
** Huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag, kindgebondenbudget,
kinderbijslag, studiefinanciering, WMO en individuele bijzondere bijstand (mits
eenmalig verstrekt) behoren in beginsel tot de categorie periodieke uitkeringen.
Deze uitkeringen zijn echter vrijgesteld o.g.v. art. 3.104 Wet IB 2001 en
worden daardoor niet in de belastingheffing betrokken.
***Inkomsten uit eigen woning: het eigenwoningforfait min de
hypotheekaftrek.