Uit het boek Algemene economie en bedrijfsomgeving
W.Hulleman en A.J. Marijs
Hoofdstuk 10: De structuur van de economie Blz. 2 – 9
Hoofdstuk 12: Inkomensverdeling Blz. 9 – 12
Hoofdstuk 13: De overheid Blz. 12 – 16
Hoofdstuk 16: Macro-economie en onderneming Blz. 16 – 22
Gertjan de Jong
Windesheim
,H 10: De structuur van de economie
De belangrijkste vragen uit dit hoofdstuk:
- Uit welke sectoren bestaat de aanbodzijde van een economie?
- Welke rol speelt technische ontwikkeling bij de groei op lange termijn?
- Wat zijn de knelpunten in de langetermijngroei in de EU?
10.1 De zes sectoren van de Europese economie
De groene sectoren (tertiair en quartair) groeien, terwijl de rode (Primair en secundair)
krimpen. Ontwikkelde economieën hebben een gering aandeel in de agrarische sector.
De groei van de financiële sector (tertiair) heeft een aantal oorzaken:
1. De welvaart is zo hoog dat consumenten genoeg goederen hebben en alleen nog
vervangingsvraag uitoefenen. (lage inkomenselasticiteit)
2. Door toenemende vrijhandel en hoge lonen in vergelijking met de lagelonenlanden is
er een verschuiving van de productie in prijsgevoelige sectoren naar het buitenland
op gang gekomen. (Deze ontwikkeling is bevorderd door daling op kosten van
vervoer).
10.2 Fasen in de economische groei en innovatie
De volgende aspecten van groei op lange termijn komen aan de orde:
- De groei van de productiefactoren
- De rol van de kapitaalcoëfficiënt en spaarquote
- Fasen in de economische groei
2
,Groei van de productiefactoren
De economische groei op lange termijn in een land is afhankelijk van de groei van de
productiefactoren arbeid, kapitaal en natuur. De productiefactoren kunnen zowel
kwantitatief als kwalitatief groeien.
Kwantitatieve groei Elk jaar komt er iets meer arbeid, kapitaal en natuur ter beschikking
Kwalitatieve groei Productiviteit per werknemer gaat omhoog (arbeidsproductiviteit)
Als er sprake is van kwantitatieve en kwalitatieve groei, kan de bevolking toenemen en de
welvaart per persoon ook.
Kapitaalcoëfficiënt en spaarquote
De kapitaalgoederenvoorraad speelt een speciale rol in de groei van de economie. De
groei is ondenkbaar zonder dat ondernemingen nieuwe machines en gebouwen kopen.
Hierdoor kan er meer geproduceerd worden en neemt de capaciteit toe. De groei van de
productiecapaciteit is afhankelijk van de groei van kapitaalgoederen en die zijn vervolgens
afhankelijk van de netto-investeringen. Deze netto-investeringen worden gefinancierd uit
besparingen door bedrijven of gezinnen.
Kapitaalcoëfficiënt Geeft weer hoeveel kapitaalgoederen er nodig zijn voor het
vervaardigen van een eenheid eindproduct.
(bij een hoge kapitaalcoëfficiënt zijn er veel kapitaalgoederen nodig voor de productie).
Ontwikkelingslanden hebben vaak een lage kapitaalcoëfficiënt. Lage investeringen zorgen
ervoor dat er snel economische groei bereikt kan worden. Een investering in een chemische
installatie in Nederland levert naar verhouding weinig arbeidsplaatsen op.
De netto-investeringen worden
gefinancierd uit besparingen.
De omvang van deze
besparingen is afhankelijk van
de spaarquote en de hoogte
van het nationaal inkomen.
Conclusie: De spaarquote
heeft een positieve en de
kapitaalcoëfficiënt een
omgekeerd evenredige
invloed op de economische
groei.
Links bovenin Emerging markets met een hoge groei (s hoog / k laag)
Rechts bovenin Industrie landen met een matige groei (s hoog / k hoog)
Links onderin Ontwikkelingslanden met een matige groei (s laag / k laag)
Rechts onderin Lage / negatieve groei (s laag / k hoog)
3
, Landen met een hoge groei zullen er rekening mee moeten houden dat deze na verloop
van tijd zal afnemen. De groei in de Europese landen en Japan is na de stormachtige
ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog in rustiger vaarwater terechtgekomen.
Fasen in de economische groei
Landen specialiseren zich steeds verder onder invloed van de toegenomen internationale
concurrentie op de gebieden waar de concurrentiekracht van hun ondernemingen het
grootst is. Kennis en innovatie zijn bijvoorbeeld belangrijk voor de Europese economie.
Niet alle sectoren zijn evenveel afhankelijk van de internationalisering van de economie. De
bouw, de detailhandel en grote delen van de zakelijke dienstverlening hebben niet veel te
duchten van de toenemende internationalisering. Dit wordt ook wel de beschermde sector
genoemd. Ondernemingen die tot de open sector behoren, merken de internationalisering
en zijn gedwongen de arbeidsproductiviteit hoog te houden en producten te vernieuwen.
De macro-economische sleutelfactoren voor het succes van ondernemingen in de open
sector zijn afhankelijk van het ontwikkelingsniveau van de economie. Voor de eenvoud
worden er drie ontwikkelingsniveaus onderscheiden:
1. Factorgedreven groei. Dit gebeurt voornamelijk bij landen met lage inkomens. Deze
groei is gebaseerd op een grotere inzet van de basisproductiefactoren land,
grondstoffen en ongeschoolde arbeid. Deze landen zijn vaak afhankelijk van de
export van grondstoffen en arbeidsintensieve producten. De landen zijn gevoelig voor
grondstofprijzen en wisselkoersen.
2. Investeringsgedreven groei. De motor van de economische groei wordt
overgenomen door een toenemende instroom van buitenlandse directe
investeringen. Dit is investeringsgedreven groei. Door deze investeringen worden
landen steeds meer geïntegreerd in de wereldeconomie en zijn ze in staat moderne
technologie te importeren. Relatief lage prijzen voor productiefactoren en
geïmporteerde technologie maakt efficiënt produceren mogelijk. Landen met
investeringsgedreven groei zijn sterk afhankelijk van de instroom van kapitaal vanuit
het buitenland.
3. Innovatiegedreven groei. De overgang naar deze fase is de moeilijkste. Zelf
ontwikkelde technologieën zijn de motor achter deze groei. Een land dat op deze
manier wil groeien, zal in tenminste een aantal sectoren in technologisch opzicht
uitgeblonken moeten worden. Goed onderwijs en het stimuleren van onderzoek zijn
belangrijke randvoorwaarden hiervoor.
4