Week 1
Leerdoelen
a. De student kan de historische ontwikkelingen schetsen van het omgevingsrecht.
b. De student kan per (deel)gebied inzichtelijk maken welke wet- en regelgeving van
toepassing kan zijn op een omgevingsrechtelijke casus.
- Ruimtelijk ordeningsrecht: kwaliteit van de leefomgeving kan worden
verbeterd. In een bestemmingsplan kan worden aangegeven welke gronden
bestemd zijn voor wonen en welke voor bedrijfsactiviteiten, waarbij
onderscheid gemaakt kan worden naar verschillende categorieën bedrijven
- Milieurecht: bedrijfsactiviteiten kunnen het milieu verontreinigen, bijvoorbeeld
door de uitstoot van verontreinigde stoffen naar de bodem, het water en de
lucht of door de productie, het gebruik en het verwijderen van stoffen.
o Grijs milieurecht heeft betrekking op regels voor de industrie
o Afval – grijs milieurecht, hoofdstuk 10 wet milieubeheer
o Lucht – grijs milieurecht
o Bodem – grijs milieurecht
o Water – blauw milieurecht, de waterwet
o Natuur – groen milieurecht
- Natuurbeschermingsrecht: door het realiseren van bedrijfs- of
woonbestemmingen kunnen onder omstandigheden schadelijke gevolgen voor
de natuur optreden. Zo kan een nabijgelegen natuurgebied gevolgen
ondervinden van de bestemming, maar ook kan het zijn dat op de gronden die
bestemd zijn voor de bouw van de woningen of het bedrijventerrein een
beschermde planten- of diersoort voorkomt
- waterrecht: bepaalde gebieden moeten beschikbaar zijn voor de berging van
extra water om overstromingen te voorkomen
c. De student kan uitleggen hoe het begrip ‘gelede normstelling’ vorm gekregen heeft in
het omgevingsrecht.
- Wabo: voorziet in een regeling voor een omgevingsvergunning en een regeling
voor de bestuursrechtelijke handhaving van vele regelingen op het gebied van
de fysieke leefomgeving
- Wet milieubeheer: bevat regelingen inzake bevoegdheden, instrumenten,
handhaving en rechtsbescherming op het terrein van het milieu in brede zin
- Waterwet:
o voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast
en waterschaarste, in samenhang met
o bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit
van watersystemen en
o vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
- Natuurbeschermingswet: de natuurwetenschappelijke waarden en het
natuurschoon beschermen bescherming van gebieden
- Flora- en faunawet: in stand houden van planten- en diersoorten
Om tot een antwoord op een vraag te komen, moet je kijken in diverse soorten
regelgeving.
d. De student kan aangeven wat belangrijke begrippen, regels en beginselen van het
omgevingsrecht inhouden en de betekenis hiervan uitleggen.
- Beginsel van voorzorg: men moet niet wachten met het nemen van maatregelen
ter bescherming van het milieu en de natuur tot de gevolgen van bepaalde
handelingen volstrekt duidelijk zijn
- Beginsel van preventie: heeft betrekking op het moment waarop maatregelen
moeten worden genomen. Wanneer maatregelen worden genomen, moeten die
maatregelen in eerste instantie gericht zijn op de voorkoming van
, verontreiniging van milieu of natuur en niet op herstel of ongedaanmaking van
die verontreiniging nadat deze zich heeft voorgedaan
- Beginsel van bestrijding aan de bron: maatregelen kunnen het beste gericht
worden op de bron van de verontreiniging ipv op de ontvanger van de
verontreiniging
- Beginsel de vervuiler betaalt: de vervuiler is verantwoordelijk voor de kosten
die gemoeid zijn met het voorkomen en beperken van de door hem
veroorzaakte verontreiniging
- Stand-stillbeginsel: houdt in dat in de gevallen waarin de feitelijke bestaande
omgevingskwaliteit beter is dan de omgevingskwaliteit die wordt
voorgeschreven, de bestaande omgevingskwaliteit als norm geldt.
- ALARA-beginsel: as low as reasonable achievable: houdt in indien voor het
milieu en de natuur negatieve gevolgen van een bepaalde activiteit niet
voorkomen kunnen worden, regels moeten worden opgesteld die de grootst
mogelijke bescherming bieden, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd
Week 2
a. De student kan in een bestuursrechtelijke casus beoordelen voor welke activiteiten
een omgevingsvergunning op grond van de Wabo aangevraagd dient te worden.
Bevoegd gezag: art. 2.4 Wabo: College van B&W van de gemeente waar het betrokken
project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op de aanvraag of een
omgevingsvergunning
Art. 2.1 Wabo tenzij vergunningvrij,
Lid 1: het is verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor
zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a) Het bouwen van een bouwwerk
b) Het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in
gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan/beheersverordening/
exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald
c) Het gebruiken van gronden of bouwwerken ism een
bestemmingsplan/beheersverordening/exploitatieplan of een
voorbereidingsbesluit
d) Het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de
brandveiligheid bij amvb aangewezen categorieën gevallen
e) /
1) Het oprichten
2) Het veranderen/ veranderen van werking
3) Het in werking hebben
Van een inrichting/mijnbouwwerk
f) Het slopen/verstoren/verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een
beschermd monument of het herstellen/gebruiken/laten gebruiken van een
beschermd momnument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar
gebracht
g) Het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan/
beheersverordening/ voorbereidingsbesluit is bepaald
h) Het slopen van een bouwwerk in een beschermd stad- of dorpsgezicht
i) Het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij amvb
aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke
leefomgeving
- Art. 2 jo. 3 Bijlage II Bor
b. De student kan in eigen woorden het begrip ‘gefaseerde vergunningverlening’
uitleggen aan de hand van een voorbeeld.
Gefaseerde vergunningverlening: art. 2.5 Wabo