Geen twee wegen, maar één weg
Naam: Lynn Evers
Studentnummer: 1087278
Mailadres:
Collegejaar: 2021 – 2022
Vak: Bestuurs(proces)recht
Vakcode: JUR-2BES1
Inleverdatum: 4 december 2021
Aantal woorden: 1931
Herkansing
, Inleiding
Volgens de gemene rechtsleer is het privaatrecht het algemene recht voor alle
rechtsverhoudingen. Volgens deze rechtsleer geldt het privaatrecht altijd, mits het
publiekrecht iets anders regelt1. De overheid maakt zowel gebruik van het privaatrecht als
het publiekrecht omdat zij is gelijkgesteld met een natuurlijk persoon in het kader van het
vermogensrecht, tenzij bij wet anders is bepaald 2. Dit is het enige wetsartikel in boek 2 wat
ook van toepassing is op publiekrechtelijke rechtspersonen 3. De achterliggende gedachte bij
de gelijkstelling is dat overheidslichamen die een verordenende bevoegdheid hebben,
volgens de wetgever rechtspersoonlijkheid moeten hebben 4. De gelijkstelling leidt ertoe dat
de overheid kan optreden als twee hoedanigheden, als rechtspersoon en bestuursorgaan.
Uit de gemene rechtsleer, is de gemengde rechtsleer ontwikkeld 5. Uitgangspunt hierbij is
dat de overheid in beginsel gebruik zou mogen maken van een privaatrechtelijke
bevoegdheid om de publieke belangen te behartigen. Beide leren zien op de vraag welk
soort recht de overheid kan gebruiken voor haar handelen. Het antwoord op deze vraag is
gelegen in de tweewegenleer. De tweewegenleer regelt in hoeverre de overheid kan kiezen
voor de privaatrechtelijke weg, naast de publiekrechtelijke weg 6. De centrale vraag van dit
essay luidt:
“In hoeverre staat het ontbreken van een publiekrechtelijke bevoegdheid het
privaatrechtelijke handelen van de overheid als bestuursorgaan, ter behartiging van het
algemeen belang, in de weg en is dit wenselijk?
Om antwoord te kunnen geven op de bovengenoemde vraag, zal er in paragraaf één
worden stilgestaan bij de vraag hoe de overheid kan handelen als rechtspersoon.
Vervolgens komt in paragraaf twee aan bod hoe omgegaan dient te worden bij situaties
waarin de publiekrechtelijke bevoegdheid ontbreekt. In paragraaf drie zal worden
stilgestaan bij de vraag wat wenselijk is: de publiekrechtelijke weg of de privaatrechtelijke
weg? Tenslotte zal in de laatste paragraaf een samenvattend antwoord gegeven worden op
de centrale vraag. De doelstelling is om het antwoord op de hoofdvraag te verklaren aan de
hand van jurisprudentie- en literatuuronderzoek.
1
Huisman & Van Ommeren, 2019/2.71.
2
Art. 2:1 lid 3 jo. art. 2:5 BW.
3
Huizink, in GS Rechtspersonen, art. 2:5 BW, aant. 2.
4
Kamerstukken II 1954-55, 3769, nr. 3.
5
Schlössels & Zijlstra, 2017/366
6
Huisman & Van Ommeren, 2019/2.7.3.
2
Naam: Lynn Evers
Studentnummer: 1087278
Mailadres:
Collegejaar: 2021 – 2022
Vak: Bestuurs(proces)recht
Vakcode: JUR-2BES1
Inleverdatum: 4 december 2021
Aantal woorden: 1931
Herkansing
, Inleiding
Volgens de gemene rechtsleer is het privaatrecht het algemene recht voor alle
rechtsverhoudingen. Volgens deze rechtsleer geldt het privaatrecht altijd, mits het
publiekrecht iets anders regelt1. De overheid maakt zowel gebruik van het privaatrecht als
het publiekrecht omdat zij is gelijkgesteld met een natuurlijk persoon in het kader van het
vermogensrecht, tenzij bij wet anders is bepaald 2. Dit is het enige wetsartikel in boek 2 wat
ook van toepassing is op publiekrechtelijke rechtspersonen 3. De achterliggende gedachte bij
de gelijkstelling is dat overheidslichamen die een verordenende bevoegdheid hebben,
volgens de wetgever rechtspersoonlijkheid moeten hebben 4. De gelijkstelling leidt ertoe dat
de overheid kan optreden als twee hoedanigheden, als rechtspersoon en bestuursorgaan.
Uit de gemene rechtsleer, is de gemengde rechtsleer ontwikkeld 5. Uitgangspunt hierbij is
dat de overheid in beginsel gebruik zou mogen maken van een privaatrechtelijke
bevoegdheid om de publieke belangen te behartigen. Beide leren zien op de vraag welk
soort recht de overheid kan gebruiken voor haar handelen. Het antwoord op deze vraag is
gelegen in de tweewegenleer. De tweewegenleer regelt in hoeverre de overheid kan kiezen
voor de privaatrechtelijke weg, naast de publiekrechtelijke weg 6. De centrale vraag van dit
essay luidt:
“In hoeverre staat het ontbreken van een publiekrechtelijke bevoegdheid het
privaatrechtelijke handelen van de overheid als bestuursorgaan, ter behartiging van het
algemeen belang, in de weg en is dit wenselijk?
Om antwoord te kunnen geven op de bovengenoemde vraag, zal er in paragraaf één
worden stilgestaan bij de vraag hoe de overheid kan handelen als rechtspersoon.
Vervolgens komt in paragraaf twee aan bod hoe omgegaan dient te worden bij situaties
waarin de publiekrechtelijke bevoegdheid ontbreekt. In paragraaf drie zal worden
stilgestaan bij de vraag wat wenselijk is: de publiekrechtelijke weg of de privaatrechtelijke
weg? Tenslotte zal in de laatste paragraaf een samenvattend antwoord gegeven worden op
de centrale vraag. De doelstelling is om het antwoord op de hoofdvraag te verklaren aan de
hand van jurisprudentie- en literatuuronderzoek.
1
Huisman & Van Ommeren, 2019/2.71.
2
Art. 2:1 lid 3 jo. art. 2:5 BW.
3
Huizink, in GS Rechtspersonen, art. 2:5 BW, aant. 2.
4
Kamerstukken II 1954-55, 3769, nr. 3.
5
Schlössels & Zijlstra, 2017/366
6
Huisman & Van Ommeren, 2019/2.7.3.
2