Studieactiviteiten AFP OP4
6
1 vaccins, röntgencontrast, antibiotica, analgetica(pijnstillers) en bloedproducten
2 ziekte opsporen, ziekte genezen, ziekte verzachten en gebrek aanvullen
3 maag-/darmbezwaren eb overgevoeligheidsreacties
4 dan dringt het farmacon bijna niet door naar de rest van het lichaam
5 fases die een geneesmiddel doorlopen:
Resorptie/opname
Distributie/verdeling
Metabolisme/omzetting
Excretie/uitscheiding
6 dan werkt het sneller
7 Distributie, verdeling van het medicijn in het lichaam
Afhankelijk van:
o Vocht in het lichaam
o Waterige weefsels: bloed en spieren
o Vettige weefsels: onderhuids vetweefsel
o Leeftijd
o Ziekte
8 darmziekten en shock
9 die worden aangevuld met farmaca
10 als er ook iets wordt gegeven waardoor het niet aan albumine bindt
11 25%
12 6 uur
13 minder dosering
14 ander kan de plasmaconcentratie zijn veranderd
15 kleine therapeutische breedte
16 geneesmiddelen die elkaar tegenwerken
17 synergisme, additie en potentiëring
18 receptor-agonist: farmacon dat koppelt aan een receptor en de cel dan stimuleert tot een
bepaalde activiteit (functionerende sleutel)
19 receptor-antagonist: blokkeert de receptor zodat de cel niet meer te stimuleren is tot een
bepaalde activiteit (afgebroken sleutel)
20 hierdoor weet je precies wat het is en wat ermee gebeurd moet worden
1
6
1 vaccins, röntgencontrast, antibiotica, analgetica(pijnstillers) en bloedproducten
2 ziekte opsporen, ziekte genezen, ziekte verzachten en gebrek aanvullen
3 maag-/darmbezwaren eb overgevoeligheidsreacties
4 dan dringt het farmacon bijna niet door naar de rest van het lichaam
5 fases die een geneesmiddel doorlopen:
Resorptie/opname
Distributie/verdeling
Metabolisme/omzetting
Excretie/uitscheiding
6 dan werkt het sneller
7 Distributie, verdeling van het medicijn in het lichaam
Afhankelijk van:
o Vocht in het lichaam
o Waterige weefsels: bloed en spieren
o Vettige weefsels: onderhuids vetweefsel
o Leeftijd
o Ziekte
8 darmziekten en shock
9 die worden aangevuld met farmaca
10 als er ook iets wordt gegeven waardoor het niet aan albumine bindt
11 25%
12 6 uur
13 minder dosering
14 ander kan de plasmaconcentratie zijn veranderd
15 kleine therapeutische breedte
16 geneesmiddelen die elkaar tegenwerken
17 synergisme, additie en potentiëring
18 receptor-agonist: farmacon dat koppelt aan een receptor en de cel dan stimuleert tot een
bepaalde activiteit (functionerende sleutel)
19 receptor-antagonist: blokkeert de receptor zodat de cel niet meer te stimuleren is tot een
bepaalde activiteit (afgebroken sleutel)
20 hierdoor weet je precies wat het is en wat ermee gebeurd moet worden
1