College 16 november
1. Pedagogische praktijk: onderwijs, opvoeding, jeugdzorg
2. Pedagogisch beleid: besturen, organiseren, plannen, programmeren van praktijk
3. Pedagogiek/pedagogische wetenschap: onderzoek en theorievorming over/voor
pedagogische praktijk en beleid
Theoretische pedagogiek: doordenken, analyseren en beoordelen van de dynamiek
tussen 1,2 en 3. Dynamiek tussen praktijk, beleid en wetenschap.
Bijvoorbeeld: in de praktijk zitten op de basisschool kinderen met syndroom van down.
Daar blijkt het een lastige situatie, omdat deze kinderen meer aandacht vergen. Door het
beleid waar veel kinderen naar het reguliere onderwijs gaan, kijkt dus niet altijd
haalbaar. Er zijn daarom meer kinderen die weer terug naar het speciaal onderwijs gaan.
In wetenschappelijk onderzoek wordt er nagegaan welke condities aangepast moeten
worden om dit beleid wel goed te laten lopen.
Lineair perspectief: praktisch/beleidsmatig probleem -> onderzoek -> theorievorming ->
verbetering praktijk of beleid.
Sekseverschillen
› Sekseverschillen zijn evident (duidelijk) en weerspiegelen zich in gedrag van kinderen.
› Deze hebben consequenties voor opvoeding, onderwijs en jeugdzorg
› Oorzaken van deze verschillen:
- Natuurlijk (biologie, neurologie)
- Cultuur (sociologie, sociale psychologie)
› Maatschappelijke, politieke en culturele factoren zijn van invloed op praktijk en beleid, maar
ook op onderzoek en theorievorming.
Dynamiek tussen deze vier aspecten:
, College 19 november enn 23 november
Dynamiek tussen vier bovenstaande aspecten
› Voorbeeld 1: er is een medicijn bedacht tegen dwerggroei. De groep ‘dwergen’ die strijden
voor rechten en tegen pesten zijn hier kwaad om, ze strijden immers al jaren voor gelijkheid
en nu is er een medicijn tegen hen bedacht. Dus: niet elk medicijn die bedacht wordt is per
definitie goed of wenselijk.
› Hetzelfde geval als bij doven, daarbij is het cochleair implantaat bedacht om doofheid te
verminderen. Moet dit aangebracht worden of niet? Is doof zijn een afwijking?
› Theorievorming en onderzoek heeft dus geleid tot allerlei discussies of het moet worden
doorgevoerd in de praktijk.
› Conclusie: niet elk beleid die bedacht en uitgevoerd wordt is in de praktijk wenselijk.
Being a parent <> Parenting (tegenstelling), Gopnik
Er bestaat twee soorten ouderschap. Enerzijds aanwezig zijn als de ouder: kinderen vertroetelen,
zorgzaam zijn, er voor de kinderen zijn (being a parent). Daarnaast de kinderen ook meer laten,
zichzelf laten redden.
Anderzijds doelgericht ouderschap (parenting): een idee waarbij ouders het idee hebben hoe hun
kinderen moeten worden. Ouderschap is doelmatig en wordt gezien als ‘werk’. Ook maakbaarheid en
breekbaarheid hoort hierbij.
Empirische aanwijzingen voor meten (being a parent of parenting)
› Advies/hulp-vraag: ouders zoeken vaker hulp
› Toezicht: voortdurend letten op kinderen (bijv. babyfoon, gebruik van magister)
› Instructie: zorgen dat huiselijke leven ook educatief is
› Tijdsinvestering: meer tijd investeren in kinderen
Factoren achter parenting
› Evolutionaire ontwikkeling
› Historische ontwikkeling
Paradoxen:
› Afhankelijkheid <> onafhankelijkheid (van liefde): kinderen zijn compleet afhankelijk van de
ouders, maar er moet rekening gehouden met dat kinderen uiteindelijk onafhankelijk
worden
› Specifiek <> algemeen (van liefde): gerichtheid van liefde van ouders op hun eigen kinderen
(specifiek) tegenover minder sterke liefde tegenover kinderen in het algemeen. Het is
exclusieve onvoorwaardelijke liefde voor eigen kinderen.
- Onrechtvaardig: want het gaat ten koste van andere kinderen. Bijvoorbeeld: in
schoolkeuze hebben alle ouders het beste voor hun kind over en dat gaat ten koste van
kinderen met ouders met lage SES.
- Inconsequent: kinderen hebben ook zorg en bemoeizucht van andere mensen nodig.
- Inefficient: exclusieve focus op eigen kinderen gaat ten koste van de welvaart en van
andere kinderen.
› Werk <> spel (van leren):
› Traditie <> innovatie (van leren):