Aantekeningen colleges Methoden en Technieken
College 16 november
› Kennis van principes van kwantitatief onderzoek
- De empirisch analytische benadering
› Leerlijn methodologie en statistiek
- Zelf onderzoek doen
- Kritisch leren nadenken over onderzoek
Benadering van onderzoek (hoofdstuk 3)
Wanneer is een onderzoek wetenschappelijk?
- Streven naar kennis over verschijnselen voor theorievorming
- Empirische uitspraken
- Systematische benadering (methodologische spelregels): spelregels waar wetenschappers
zich aan moeten houden. Moet controleerbaar zijn.
Toetsbare uitspraken – controleerbaar – repliceerbaar
- Vertrouwen op werk van voorgangers (cumulatief)
Wetenschap is systematische theorievorming
Typen onderzoek
› Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
- Voor kennisproblemen
- Doel: ontwikkeling of toetsing theorieën
- Volgt de empirische cyclus van de Groot
- Later de empirische cyclus met integratie onderzoeksplan
› Praktijkgericht (=toegepast) wetenschappelijk onderzoek
- Voor praktijkproblemen
- Doel: kennis voor besluitvorming bij praktijkproblemen
- Doel: oplossing vinden voor deze praktijkproblemen
- Inductief (explorerend): als er nog veel kennis ontbreekt en er nog geen goede of volledige
theorie bestaat
- Deductief (toetsend): als er al een theorie bestaat, maar de onderzoeker deze toetst
- Inductie: het vinden van empirische regelmatigheden of verbanden in een verzameling
gegevens > er worden voorlopige/algemene uitspraken > er wordt gezocht naar een theorie
1
,Deductie van hypothesen
› Deductief-Nomologisch model
- Specifieke uitspraken afleiden uit algemene uitspraken over de empirische
werkelijkheid
- Theorie & aannames -> logische toetsbare hypotheses
› Theorie: “alle vogels kunnen vliegen”
› Aanname: dit is een vogel
› Hypothese: deze vogel kan vliegen
› Empirische waarneming: dat is een vogel, maar het vliegt niet
› Toetsing: hypothese is gefalsificeerd
› Evaluatie: conclusie: geen vogel en theorie is dus gefalsificeerd
Twee benaderingswijzen
› Empirisch-analytische benadering
- Met name kwantitatief onderzoek
- Onderzoek weergeven in cijfers
- Regelmatigheden vinden binnen die cijfers
› Empirisch-interpretatieve benadering
- Met name kwalitatief onderzoek
- Onderzoek wordt weergeven in woorden
Probleemstelling in onderzoeksplan
› Wat wil je weten? = de vraagstelling
- Fundamenteel (theoretisch) onderzoek:
Hiaten/tegenstrijdigen in de wetenschappelijke kennis
- Praktijkgericht onderzoek:
Probleem afkomstig van opdrachtgever
Vraag/globale weergave van het probleem -> concretiseren
Huidige vs. gewenste situatie
› Waarom wil je dit weten? Waarom is dit belangrijk? = de doelstelling
- “Om inzicht te krijgen in”
- Relevantie: theoretisch, praktijkgericht of beide
› Welk theoretisch raamwerk? -> conceptueel model
Type globale vraagstellingen
› Beschrijvende vraagstellingen
- bijv. percentage vaccinatiegraad corona.
› Verklarende vraagstellingen -> causaliteit: men zoekt verklaring voor bepaald fenomeen
- bijv. waarom hebben sommige Nederlanders een negatieve houding t.o.v.
vaccineren?
› Voorspellende verklaringen -> causaliteit: voorspellen wat er in de toekomst gaat gebeuren
- bijv. hoe zullen de besmettingen zich de komende tijd ontwikkelen met de huidige
vaccinatiegraad in Nederland?
Goede kwantitatieve onderzoeksvragen:
› Relevant & specifiek
- Sluit goed aan bij de probleem- en doelstelling
- Onderzoekbaar
- Bevat belangrijkste kenmerken van het onderzoek
- Antwoord met meer dan ja/nee (geen gesloten vraag)
› Vermijden:
- ‘Waarom’ -vragen
2
, - ‘Hoe komt het’ -vragen
- ‘Hoe kunnen we’ – vragen
- Normatieve/ethische/esthetische (wat is mooi/kwestie van smaak) vragen
Typen kwantitatieve onderzoeksvragen:
› Frequentievragen
- Hoeveel…? Hoe vaak…?
› Verschilvragen
- In welke mate is er verschil in…?
- …groepen
- …voor-na
› Samenhangvragen
- In hoeverre is er een relatie tussen … en …?
Onderzoekseenheden en kenmerken (hoofdstuk 2 en 4)
Onderzoekseenheid
› Op wie/wat heeft de onderzoeksvraag betrekking?
- Volgt direct uit onderzoeksvraag -> niveau waarop antwoord verwacht wordt
- Vaak respondent, soms groepsniveau
- Vaak regel/rij databestand, soms aggregatie nodig
Onderzoekskenmerk (=eigenschapsbegrip)
› Wat ga je meten bij de onderzoekseenheden/respondenten?
- (Abstract) eigenschap/kenmerk/aspect
- Komen terug in onderzoeksvraag
Operationaliseren
› Kenmerk omzetten naar concreet
meetbare termen
› Variabele
- Kolom in databestand
- ‘Alle vragen waarop proefpersonen
een score/waarde krijgen’
› Concept: eenvoudig kenmerk -> 1
variabele
› Construct: meerdere variabelen,
ingewikkeld kenmerk, complex begrip
-> samennemen
Conceptueel model
› Theoretisch raamwerk -> conceptueel model -> statistisch model
› Weergave van de relaties tussen de kenmerken
› Opgebouwd uit alle kenmerken van de onderzoeksvragen
› Geen onderzoekseenheden (bijv. of het over leerlingen gaat)
› Geen waarde/score van kenmerk
Kenmerken conceptueel model
› Afhankelijke kenmerken (Y) en onafhankelijke kenmerken (X)
› Onafhankelijke controle kenmerken (derde variabele):
- Mediator (alternatieve verklaring voor afhankelijke variabele, dus alternatieve
onafhankelijke variabele)
- Moderator (kenmerk die van invloed is op de relatie tussen de twee variabelen)
- Confounder (potentieel verstorend kenmerk)
3
College 16 november
› Kennis van principes van kwantitatief onderzoek
- De empirisch analytische benadering
› Leerlijn methodologie en statistiek
- Zelf onderzoek doen
- Kritisch leren nadenken over onderzoek
Benadering van onderzoek (hoofdstuk 3)
Wanneer is een onderzoek wetenschappelijk?
- Streven naar kennis over verschijnselen voor theorievorming
- Empirische uitspraken
- Systematische benadering (methodologische spelregels): spelregels waar wetenschappers
zich aan moeten houden. Moet controleerbaar zijn.
Toetsbare uitspraken – controleerbaar – repliceerbaar
- Vertrouwen op werk van voorgangers (cumulatief)
Wetenschap is systematische theorievorming
Typen onderzoek
› Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
- Voor kennisproblemen
- Doel: ontwikkeling of toetsing theorieën
- Volgt de empirische cyclus van de Groot
- Later de empirische cyclus met integratie onderzoeksplan
› Praktijkgericht (=toegepast) wetenschappelijk onderzoek
- Voor praktijkproblemen
- Doel: kennis voor besluitvorming bij praktijkproblemen
- Doel: oplossing vinden voor deze praktijkproblemen
- Inductief (explorerend): als er nog veel kennis ontbreekt en er nog geen goede of volledige
theorie bestaat
- Deductief (toetsend): als er al een theorie bestaat, maar de onderzoeker deze toetst
- Inductie: het vinden van empirische regelmatigheden of verbanden in een verzameling
gegevens > er worden voorlopige/algemene uitspraken > er wordt gezocht naar een theorie
1
,Deductie van hypothesen
› Deductief-Nomologisch model
- Specifieke uitspraken afleiden uit algemene uitspraken over de empirische
werkelijkheid
- Theorie & aannames -> logische toetsbare hypotheses
› Theorie: “alle vogels kunnen vliegen”
› Aanname: dit is een vogel
› Hypothese: deze vogel kan vliegen
› Empirische waarneming: dat is een vogel, maar het vliegt niet
› Toetsing: hypothese is gefalsificeerd
› Evaluatie: conclusie: geen vogel en theorie is dus gefalsificeerd
Twee benaderingswijzen
› Empirisch-analytische benadering
- Met name kwantitatief onderzoek
- Onderzoek weergeven in cijfers
- Regelmatigheden vinden binnen die cijfers
› Empirisch-interpretatieve benadering
- Met name kwalitatief onderzoek
- Onderzoek wordt weergeven in woorden
Probleemstelling in onderzoeksplan
› Wat wil je weten? = de vraagstelling
- Fundamenteel (theoretisch) onderzoek:
Hiaten/tegenstrijdigen in de wetenschappelijke kennis
- Praktijkgericht onderzoek:
Probleem afkomstig van opdrachtgever
Vraag/globale weergave van het probleem -> concretiseren
Huidige vs. gewenste situatie
› Waarom wil je dit weten? Waarom is dit belangrijk? = de doelstelling
- “Om inzicht te krijgen in”
- Relevantie: theoretisch, praktijkgericht of beide
› Welk theoretisch raamwerk? -> conceptueel model
Type globale vraagstellingen
› Beschrijvende vraagstellingen
- bijv. percentage vaccinatiegraad corona.
› Verklarende vraagstellingen -> causaliteit: men zoekt verklaring voor bepaald fenomeen
- bijv. waarom hebben sommige Nederlanders een negatieve houding t.o.v.
vaccineren?
› Voorspellende verklaringen -> causaliteit: voorspellen wat er in de toekomst gaat gebeuren
- bijv. hoe zullen de besmettingen zich de komende tijd ontwikkelen met de huidige
vaccinatiegraad in Nederland?
Goede kwantitatieve onderzoeksvragen:
› Relevant & specifiek
- Sluit goed aan bij de probleem- en doelstelling
- Onderzoekbaar
- Bevat belangrijkste kenmerken van het onderzoek
- Antwoord met meer dan ja/nee (geen gesloten vraag)
› Vermijden:
- ‘Waarom’ -vragen
2
, - ‘Hoe komt het’ -vragen
- ‘Hoe kunnen we’ – vragen
- Normatieve/ethische/esthetische (wat is mooi/kwestie van smaak) vragen
Typen kwantitatieve onderzoeksvragen:
› Frequentievragen
- Hoeveel…? Hoe vaak…?
› Verschilvragen
- In welke mate is er verschil in…?
- …groepen
- …voor-na
› Samenhangvragen
- In hoeverre is er een relatie tussen … en …?
Onderzoekseenheden en kenmerken (hoofdstuk 2 en 4)
Onderzoekseenheid
› Op wie/wat heeft de onderzoeksvraag betrekking?
- Volgt direct uit onderzoeksvraag -> niveau waarop antwoord verwacht wordt
- Vaak respondent, soms groepsniveau
- Vaak regel/rij databestand, soms aggregatie nodig
Onderzoekskenmerk (=eigenschapsbegrip)
› Wat ga je meten bij de onderzoekseenheden/respondenten?
- (Abstract) eigenschap/kenmerk/aspect
- Komen terug in onderzoeksvraag
Operationaliseren
› Kenmerk omzetten naar concreet
meetbare termen
› Variabele
- Kolom in databestand
- ‘Alle vragen waarop proefpersonen
een score/waarde krijgen’
› Concept: eenvoudig kenmerk -> 1
variabele
› Construct: meerdere variabelen,
ingewikkeld kenmerk, complex begrip
-> samennemen
Conceptueel model
› Theoretisch raamwerk -> conceptueel model -> statistisch model
› Weergave van de relaties tussen de kenmerken
› Opgebouwd uit alle kenmerken van de onderzoeksvragen
› Geen onderzoekseenheden (bijv. of het over leerlingen gaat)
› Geen waarde/score van kenmerk
Kenmerken conceptueel model
› Afhankelijke kenmerken (Y) en onafhankelijke kenmerken (X)
› Onafhankelijke controle kenmerken (derde variabele):
- Mediator (alternatieve verklaring voor afhankelijke variabele, dus alternatieve
onafhankelijke variabele)
- Moderator (kenmerk die van invloed is op de relatie tussen de twee variabelen)
- Confounder (potentieel verstorend kenmerk)
3