Samenvatting examentraining Economie LYCEO
2019
Domein D: markt
Domein D1: vraag en aanbod en elasticiteiten
- Prijsgevoeligheid = prijselasticiteit
- Drie soorten elasticiteit:
1. Prijselasticiteit
2. Inkomenselasticiteit
3. Kruisprijselasticiteit
Procentuele verandering van het gevolg / procentuele verandering van de oorzaak
- Elastisch: vraag beweegt erg mee met de prijs ( <-1 of >1 )
- Inelastisch: vraag blijft ongeveer hetzelfde, ook met prijsstijging (-1 tot 1)
- Inelastisch: prijs stijgt meer dan de vraag daalt
- Elastisch: vraag daalt meer dan de prijs stijgt
- Inelastisch: primair goed
- Elastisch: inferieur (<-1) of luxe (>1) goed
- Complementair goed = negatieve kruisprijselasticiteit
- Substitutie goed = positieve kruisprijselasticiteit
Domein D2: marktstructuur
- Volkomen concurrentie
o Prijs wordt gevormd door markt van vraag en aanbod
o Homogeen product
o Makkelijk toetreden tot de markt
- Monopolistische conurrentie
o Zelfde als volkomen concurrentie, maar nu met een heterogeen product
- Oligopolie
o Weinig aanbieders (speltheorie)
o Veel invloed op de prijs
o Schaalvoordelen: hoe groter de markt, hoe meer je kan produceren,
hoe lager de productiekosten worden
- Monopolie
o Homogeen product – 1 aanbieder
o Niet transparant en moeilijke toetreding
o Aanbieder = prijszetter
o Continuïteit
- MO = MK maximale winst
- MO = 0 maximale omzet
- TO = Tk break even point
- Constante kosten zijn onafhankelijk van de productie
- GO-lijn verloopt dalend, MO-lijn 2x zo hard (monopolie)
- Op het punt waar MO=MK, is het verschil met de GO het grootst
, - Prijsdiscriminatie = zelfde product, andere prijzen = 65+ OV
- Prijsdfiferentiatie = 1e/2e klas in de trein
-
Domein D3: welvaart en economische politiek
- Overheid grijpt in:
o Minimumprijs: bescherming van de producent
o Maximumprijs: bescherming van de consument
- Accijns: slecht voor gezondheid (sigaretten/benzine)
- Subsidies: goed voor gezondheid (zonnepanelen)
- Bij minimumprijs: producentensurplus stijgt (overschot)
- Bij maximumprijs: consumentensurplus stijgt (tekort)
-
Domein E: ruilen over tijd
Domein E1: intertemporele ruil
- Stroomgrootheden: gemeten per tijdseenheid
- Voorraadgrootheden: gemeten op 1 moment
- Rendementsmotief = sparen voor de rente die je erover krijgt
- Doelmotief = sparen voor een latere uitgave
Domein E2: registratie intertemporele ruil
- 15 lenen op kapitaalmarkt = begrotingstekort
- 15-3 = 12 lenen op kapitaalmarkt = financieringstekort
- Omslagstelsel: betalers van nu zijn de AOW’ers van nu
- Kapitaaldekkingsstelsel: sparen voor je eigen pensioen
Domein F: samenwerken en onderhandelen
Domein F1: speltheorie
- Simultaan spel: bewegen tegelijk
- Sequentieel spel: bewegen na elkaar
twee dominante strategieën van ‘niet bijdragen’ = nash-evenwicht: kan niet
‘verplaatsen’
- Nash-evenwicht is waar de twee dominante strategieën elkaar tegenkomen
- Dominante strategie = per persoon
- Als nash-evenwicht niet de optimale strategie is, is er een
gevangenendilemma
Domein F2: suboptimale situaties
Domein G: risico en informatie
Domein G1: risico en verzekering
- Particuliere verzekering = individueel
o Vrijwillig
o Verplicht
- Collectieve verzekering = sociale stabiliteit
Domein G2: asymmetrische informatie
- Asymmetrische informatie is bijvoorbeeld wanneer een roker niet doorgeeft
dat hij rookt hogere kosten voor (ver)koper door onderzoek
2019
Domein D: markt
Domein D1: vraag en aanbod en elasticiteiten
- Prijsgevoeligheid = prijselasticiteit
- Drie soorten elasticiteit:
1. Prijselasticiteit
2. Inkomenselasticiteit
3. Kruisprijselasticiteit
Procentuele verandering van het gevolg / procentuele verandering van de oorzaak
- Elastisch: vraag beweegt erg mee met de prijs ( <-1 of >1 )
- Inelastisch: vraag blijft ongeveer hetzelfde, ook met prijsstijging (-1 tot 1)
- Inelastisch: prijs stijgt meer dan de vraag daalt
- Elastisch: vraag daalt meer dan de prijs stijgt
- Inelastisch: primair goed
- Elastisch: inferieur (<-1) of luxe (>1) goed
- Complementair goed = negatieve kruisprijselasticiteit
- Substitutie goed = positieve kruisprijselasticiteit
Domein D2: marktstructuur
- Volkomen concurrentie
o Prijs wordt gevormd door markt van vraag en aanbod
o Homogeen product
o Makkelijk toetreden tot de markt
- Monopolistische conurrentie
o Zelfde als volkomen concurrentie, maar nu met een heterogeen product
- Oligopolie
o Weinig aanbieders (speltheorie)
o Veel invloed op de prijs
o Schaalvoordelen: hoe groter de markt, hoe meer je kan produceren,
hoe lager de productiekosten worden
- Monopolie
o Homogeen product – 1 aanbieder
o Niet transparant en moeilijke toetreding
o Aanbieder = prijszetter
o Continuïteit
- MO = MK maximale winst
- MO = 0 maximale omzet
- TO = Tk break even point
- Constante kosten zijn onafhankelijk van de productie
- GO-lijn verloopt dalend, MO-lijn 2x zo hard (monopolie)
- Op het punt waar MO=MK, is het verschil met de GO het grootst
, - Prijsdiscriminatie = zelfde product, andere prijzen = 65+ OV
- Prijsdfiferentiatie = 1e/2e klas in de trein
-
Domein D3: welvaart en economische politiek
- Overheid grijpt in:
o Minimumprijs: bescherming van de producent
o Maximumprijs: bescherming van de consument
- Accijns: slecht voor gezondheid (sigaretten/benzine)
- Subsidies: goed voor gezondheid (zonnepanelen)
- Bij minimumprijs: producentensurplus stijgt (overschot)
- Bij maximumprijs: consumentensurplus stijgt (tekort)
-
Domein E: ruilen over tijd
Domein E1: intertemporele ruil
- Stroomgrootheden: gemeten per tijdseenheid
- Voorraadgrootheden: gemeten op 1 moment
- Rendementsmotief = sparen voor de rente die je erover krijgt
- Doelmotief = sparen voor een latere uitgave
Domein E2: registratie intertemporele ruil
- 15 lenen op kapitaalmarkt = begrotingstekort
- 15-3 = 12 lenen op kapitaalmarkt = financieringstekort
- Omslagstelsel: betalers van nu zijn de AOW’ers van nu
- Kapitaaldekkingsstelsel: sparen voor je eigen pensioen
Domein F: samenwerken en onderhandelen
Domein F1: speltheorie
- Simultaan spel: bewegen tegelijk
- Sequentieel spel: bewegen na elkaar
twee dominante strategieën van ‘niet bijdragen’ = nash-evenwicht: kan niet
‘verplaatsen’
- Nash-evenwicht is waar de twee dominante strategieën elkaar tegenkomen
- Dominante strategie = per persoon
- Als nash-evenwicht niet de optimale strategie is, is er een
gevangenendilemma
Domein F2: suboptimale situaties
Domein G: risico en informatie
Domein G1: risico en verzekering
- Particuliere verzekering = individueel
o Vrijwillig
o Verplicht
- Collectieve verzekering = sociale stabiliteit
Domein G2: asymmetrische informatie
- Asymmetrische informatie is bijvoorbeeld wanneer een roker niet doorgeeft
dat hij rookt hogere kosten voor (ver)koper door onderzoek